We schrijven de
vijftiger jaren van de vorige eeuw, mijn kinderjaren. Dwars door de genereuze
vloer van ons bovenhuis kwamen de schlagers uit de radio van onze Duitse
benedenbuurvrouw. Schlagers waarin werd gezongen over een wereld zonder
contouren, zonder verleden of toekomst: Deine
Heimat ist das Meer van Freddy Quinn, Tausend
Sterne stehen in weiter Runde, Rudi Schuricke, Blaue Nacht am Hafen, Lale Andersen. Enzovoort.

Intussen hoorde ik als kind ook weleens de stem van Hitler
op de radio. Dat moet zijn geweest in het kader van historische documentaires.
Zonder te begrijpen wat er werd gezegd, ervoer ik dat geluid als de stem van
het absolute kwaad, vervulde dat snijdende gebral me met afschuw. Dat het
publiek op de geluidsopname van de toespraak juichte, was voor mij als kind het bewijs dat de Duitsers toch
wel erg dom waren: iedereen kon immers horen dat dit het gekrijs van een
waanzinnige was.
Zo’n veertig jaar later ging ik voor het eerst naar het
Duitse vertalershuis in Straelen. Met de fiets in de trein naar Venlo en dan nog
11 kilometer naar het Europäisches Übersetzer Kollegium. Het ligt vlak bij de
Nederlandse grens, maar het is er al heel Duits. Een deel van het indrukwekkende
boekenbezit vult de algemene ruimtes, een ander deel is verspreid over de
kamers van de vertalers. Het toeval wilde dat ik terechtkwam in de kamer met
de verslagen over het proces van Nürnberg, vlak na de oorlog gevoerd tegen
de nazi-kopstukken die men nog had kunnen oppakken. Ik
sloeg een van die boeken open: het verhoor van Hermann Göring, rijksmaarschalk ten
tijde van het Derde Rijk. Tot mijn verbazing maakte ik uit het letterlijke
verslag op dat Göring niet bralde en blafte, maar sprak in zorgvuldig geconstrueerde volzinnen. Het proces Eichmann
was enigszins aan me voorbijgegaan, anders zou ik dat al veel langer hebben geweten. Dan zou ik De zaak 40/61 van
Harry Mulisch hebben gelezen en De
banaliteit van het kwaad van Hannah Arendt. Maar op het moment van het Eichmann
proces was ik een puber en pubers hebben het te druk met zichzelf. Dat die bloeddorstige honden zich net als ieder ander van een taal konden bedienen, maakte de zaak er voor mij niet eenvoudiger op.
Claude Lanzmann had de grootste moeite om voor zijn film Shoah daders tot spreken te krijgen en
hij was tot de conclusie gekomen dat `de beulen zwijgen’. Het verklaart zijn
enthousiasme over Les bienveillantes van
Jonathan Littell, een roman (2006) waarin SS-officier Max Aue rond de 1.000
pagina’s lang zelf aan het woord is. `Littell heeft de taal van de beulen
uitgevonden,’ stelde hij. Wat Lanzmann de reële daders nauwelijks had kunnen
ontfutselen, meende hij te hebben gevonden in het relaas van de fictieve Aue,
die provocerende verklaringen aflegt en geregeld in de roes van de
waanzin verkeert. We zien Aue van een scherpzinnige intellectueel veranderen in een man
zonder geweten, aangevreten door het geweld dat hij om zich heen heeft gezien
en waaraan ook hijzelf zich schuldig heeft gemaakt.
