dinsdag 2 mei 2017

Interview met Boekblad

De sympathieke en vaardige Constantijn Hoffscholte interviewde mij voor Boekblad. Zo'n interview is altijd weer een goede gelegenheid om hardop verder te denken: over het vak en over de verwevenheid daarvan met mijn leven. 
Vertalers & het boekenvak: Jeanne Holierhoek 
Vertalers: hoe ervaren zij het boekenvak en de aandacht voor hun specialisme? Deze week Jeanne Holierhoek (1947), meermaals bekroond vertaalster van Franse literatuur en filosofie. Zij vertelt waarom een ervaren vertaler soms langer over een tekst doet dan een beginner. En waarom het nog leuker is om filosofie te vertalen dan literatuur. 

Een vertaler met filosofie als specialiteit, die kom je niet vaak tegen.
‘Bij mij is het geleidelijk gegroeid. Ik studeerde Frans met als bijvak filosofie, maar het is niet zo dat ik vastomlijnde plannen in die richting had. Op een bepaald moment mocht ik wat filosofische essays vertalen, dat interesseerde me en van het een kwam het ander. Op den duur kreeg ik de naam een specialist te zijn.’
Waar werkt u momenteel aan?
‘Ik leg de laatste hand aan een nieuwe vertaling van Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault. Een dik boek, 700 pagina’s, ik werk er al meer dan een jaar aan. De eerste versie is bijna af, die is bij mij altijd tamelijk definitief. Het komt in de winter uit bij Boom Uitgevers.’
U vertaalde werk van filosofen als Descartes, Montesquieu en Voltaire. Is het niet vaak taaie kost?
‘Integendeel, het vertalen van filosofie is wat mij betreft veel spannender dan het vertalen van romans. Ik vind het fijn als iets moeilijk is. Filosofische teksten vergen een langer proces van interpreteren voordat je ze goed kunt navertellen. Ik heb bijvoorbeeld ook romans van Marie NDiaye vertaald, prachtige en intelligente boeken, maar bij lezing begrijp ik altijd direct wat ze bedoelt. Wat overigens niet wil zeggen dat het vinden van een genuanceerd Nederlands equivalent vervolgens vanzelf gaat. Bij filosofie kost het interpreteren meer tijd, moet je onderzoeken hoe het betoog is opgebouwd. Als dat eenmaal is gelukt, is het herformuleren wel makkelijker. De woorden rollen er dan soms vanzelf uit, al blijft het een gepuzzel om de zinsconstructies zo transparant mogelijk te maken.’
U bent inmiddels zeventig jaar. Hoe lang gaat u nog door met vertalen?
‘Zo lang ik me goed voel. De passie voor het vak is nog volop aanwezig. Bijkomend voordeel is dat ik tegenwoordig een beetje pensioen krijg, waardoor ik het me kan permitteren om mijn klussen zorgvuldiger uit te kiezen. In dat opzicht is dit een plezierige tijd in mijn loopbaan. Mijn bureau, mijn woordenboeken en het bijbehorende denkwerk zijn onveranderd de ankerpunten in mijn leven.’
Gaat het werk u makkelijker af dan vroeger? 

‘Als ervaren vertaler zoek ik naar steeds moeilijker teksten om de uitdaging te behouden. Vroeger vertaalde ik ook wel eens flodderromannetjes, dat zou ik nu niet meer willen. Maar het is niet zo dat het werk sneller gaat. Door je ervaring zie je juist meer valkuilen in de tekst; waar je vroeger misschien een paar oplossingen zag, zie je er nu een heleboel. Toen ik jong was, dacht ik wel eens dat ik perfecte vertalingen afleverde, zo zeker was ik van mijn zaak. Dat heb ik wel afgeleerd. Ik weet nu wat er allemaal fout kan gaan in het vertaalproces.’
Is het voor u belangrijk om contact te hebben met een auteur?
‘Dat voegt zeker iets toe. Ik probeer de auteur als het kan persoonlijk te spreken. Daardoor kun je taalkwesties met elkaar doornemen en krijg je meer inzicht in het taalgebruik van de schrijver. Ik vind dat een stuk prettiger dan een e-mailtje sturen.’
In een interview heeft u eens gezegd dat u zich als de ‘weduwe Montesquieu’ voelde nadat u een aantal boeken van hem had vertaald. Gaat de identificatie met een schrijver zo ver?
‘Ik zou Montesquieu graag hebben ontmoet, hij leek me een sympathieke man. Ik voelde me inderdaad heel dichtbij hem vanwege zijn evenwichtige visie op hoe een staat goed kan functioneren. Als je zo lang met iemands gedachtengoed bezig bent, ga je wonen in zijn hoofd en kijken met zijn ogen. Ik heb ook zijn vroegere kasteel bezocht en lezingen over hem gegeven. Om het identificatie te noemen gaat een stap te ver, maar hij was geruime tijd een trouwe metgezel.’
Wordt het werk van vertalers voldoende gewaardeerd?
‘Ons werk is intrinsiek geweldig interessant, maar het wordt erg slecht betaald. In combinatie met de geringe zichtbaarheid van vertalers vind ik het wel eens moeilijk. De omstandigheden voor vertalers zijn er niet beter op geworden. Het contact met uitgeverijen is tegenwoordig heel zakelijk; in veel gevallen wordt gezocht naar wie het snelst vertaalt en wie het goedkoopst is. Zelf heb ik daar geen last van, want ik werk momenteel vooral voor Boom Uitgevers en voor het kleine, dappere Octavo. Dat zijn prima uitgevers. Toen ik begon, trok een uitgever nog weleens een hele middag uit om samen een tekst door te nemen. Tegenwoordig is dat algemeen gesproken een zeldzaamheid.’
U vindt dat uitgevers vertalers moeten koesteren?
‘Als je het niet met geld kunt doen, doe het dan in ieder geval met een beetje aandacht en immateriële waardering. Enerzijds hebben de uitgeverijen het moeilijker, zijn de oplages vaak kleiner, heeft de economische crisis littekens achtergelaten. Anderzijds worden aankomende vertalers wat beter op weg geholpen, door het Letterenfonds bijvoorbeeld en door het Expertisecentrum Literair Vertalen. In die zin is een deel van de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van vertalingen verschoven van het bedrijfsleven naar de (semi)overheid. Als ik een workshop geef aan jonge vertalers in opleiding, zeg ik wel eens: “Denk na voordat je vertaler wordt, weet waar je aan begint”. Al moet ik er meteen aan toevoegen dat dit vroeger ook tegen mij is geroepen.’
U schrijft en vertelt veel over uw werk. Wat is uw motivatie?
‘Ik had zelf op jongere leeftijd graag wat handige tips gekregen over hoe je het aanpakt. Nu zijn er de vertalersopleidingen, en als mij wordt gevraagd daar iets te vertellen zeg ik graag ja. Het idee bestaat dat wij een eenzaam beroep hebben, maar ik vind het wel meevallen. Uit het vertalen vloeien tal van contacten voort: met studenten, met geïnteresseerd lezerspubliek, met de auteur, met adviseurs en meelezers. Ik draag graag iets van mijn kennis en ervaring over. En het blijft leuk om samen met een groep belangstellenden in een tekst te duiken.’

zondag 9 april 2017

Afgestoft en opgepoetst

       De nijvere speurders die met bewonderenswaardige volharding VertaalVerhaal gaande houden, diepten enige tijd geleden een interview op dat Adèle Nieuweboer mij jaren geleden afnam. Er is in overleg nog wat aan gesleuteld en geactualiseerd. Nu is het gepubliceerd als VertaalVerhaal. De weduwe Montesquieu is intussen alweer weduwe Descartes geworden maar daarna -- o vreugde! -- verloofd geraakt met Michel Foucault. Hieronder volgt het vraaggesprek, waarin ik mezelf nog steeds herken.


De weduwe Montesquieu

Jeanne Holierhoek in gesprek met Adèle Nieuweboer

Jeanne Holierhoek (1947) studeerde Franse taal- en letterkunde in Leiden. Ze vertaalde romans van o.a. Michel Tournier, Jean Giono, Lydie Salvayre. Tegenwoordig vertaalt ze vooral filosofische teksten uit heden en verleden. Ze geeft workshops en lezingen, tevens mentoreert ze beginnende vertalers en schrijft ze korte teksten over vertalen. In 2001 werd ze Chevalier in de Ordre des Arts et des Lettres. In 2007 ontving ze de Dr. Elly Jafféprijs voor haar gehele vertaaloeuvre, in het bijzonder voor Over de geest van de wetten van Montesquieu. In 2011 ontving ze, samen met auteur Marie NDiaye, voor Drie sterke vrouwen de eerste Europese Literatuurprijs. Samen met Mirjam de Veth schreef ze een ultradun boekje over leven en werken van Elly Jaffé: C’est mágnifique! Ze houdt een blog bij: http://jeanneholierhoek.blogspot.nl/

Adèle Nieuweboer (1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was onder meer werkzaam aan de Haagse Leergangen, later aan de Haagse Hogeschool. Haar specialisatie was de 18de-eeuwse letterkunde. Een van haar favorieten was Jacob Campo Weyerman, een andere Gerrit Paape, van wie ze met name de verhouding vertaling/oorspronkelijke tekst in zijn romans bestudeerde. Ook werkte ze aan de beschrijving van grote collecties gelegenheidsgedichten tot 1800 van de Koninklijke Bibliotheek, de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, het gemeentearchief Amsterdam en het Centraal Bureau voor Genealogie. Uit het werk aan Weyerman, Paape en de gelegenheidsgedichten vloeiden publicaties voort. Dit interview verscheen oorspronkelijk in Nieuw Letterkundig Magazijn (jaargang 26, 2008).



De weduwe Montesquieu

Op 7 juni 2007 ontving Jeanne Holierhoek de tweejaarlijkse Dr. Elly Jaffé Prijs voor haar vertalingen uit het Frans, met name voor de vertaling van De l'esprit des lois van Montesquieu, die in 2006 verscheen onder de titel Over de geest van de wetten. De jury sprak bewondering uit voor haar vermogen om de specifieke vertaalproblemen van Montesquieu de baas te worden en zijn complexe stijl voor de hedendaagse lezer begrijpelijk en aantrekkelijk te maken. Enkele maanden na de uitreiking van de Elly Jaffé Prijs vond een gesprek plaats over haar vertaalwerk rond de vraag ‘Waarom vertaalt een vertaalster wat ze vertaalt?’

Hoe komt iemand ertoe om te gaan vertalen?
Eigenlijk wist ik al in mijn studietijd dat ik wilde gaan vertalen. Een studie vertaalwetenschap of vertaalkunde bestond toen nog niet. Ik studeerde Frans en deed als keuzevakken traductologie en lexicologie. Zo kwam ik iets te weten over vertaaltheorieën, over de stilistische aspecten van het vertalen en over woordenboeken. Voor het vak lexicologie moest je bijvoorbeeld een referaat schrijven over de opbouw van vijf synoniemenwoordenboeken en hun onderlinge verschillen.
Misschien wilde ik wel zo graag gaan vertalen omdat er iets romantisch en artistieks aan het vak kleefde. Daar denk ik inmiddels wel anders over. Vertalen is vooral hard werken.
Ik liep ’s morgens in Leiden voor mijn bijvak filosofie over de Witte Singel naar het Filosofisch Instituut en daar zat op de Witte Singel, in een grote huiskamer, iemand te vertalen: Clasine Heering-Moorman, de vrouw van professor Heering, die godsdienstfilosofie en ethiek doceerde. Ik geloof dat ik vooral contact met hem gezocht heb om haar te leren kennen. Uiteindelijk zat ik dus in die grote huiskamer op de thee. Ik wilde zo graag weten hoe je het aanpakt om vertaalster te worden. Tot mijn teleurstelling kon zij het me niet precies vertellen. Ik begrijp dat nu beter, nu studenten mij vaak vragen ‘Hoe word ik vertaler?’ en ik het antwoord ook niet goed weet. De weg naar het vertaalvak en naar vertaalopdrachten is meestal nogal grillig, al zijn er tegenwoordig wel wat meer opleidingen. Daar kun je in ieder geval oefenen en aanwijzingen krijgen, bijvoorbeeld op de VertalersVakschool.

Hoe gaat dat dan in de praktijk, vertaler worden?
Het begon in mijn geval met een vrij gebruikelijke stap: ik schreef een brief aan uitgeverij Meulenhoff. En ik werd uitgenodigd voor een gesprek met Theo Sontrop, in die tijd de directeur. Wat mij de eer verschafte is me nog steeds niet helemaal duidelijk. Hij hield een vrij lange monoloog die eindigde met een waarschuwing: ‘Ga maar niet vertalen, want de meeste vertalers raken aan de drank en eindigen in de goot.’ Daar was dus weer dat romantische beeld van het vertalen, de vertaler als artiste maudit. Na deze ernstige waarschuwing mocht ik van Sontrop toch een proefvertaling maken, een fragment uit Bouvard et Pécuchet van Flaubert. Mijn probeersel kwam min of meer in het niets terecht, want Sontrop verhuisde naar De Arbeiderspers en bij Meulenhoff kon niemand de proefvertaling meer vinden. De nieuwe directeur, Laurens van Krevelen, gaf me toen maar meteen een complete opdracht, misschien uit schuldgevoel, of omdat ik toevallig belde op het moment dat hij iemand zocht? In 1974 verscheen dus mijn eerste vertaling: Veertien dagen uit het leven van Alfons van Worden (Manuscrit trouvé à Saragosse) van Jean Potocki. Van zo'n eerste vertaling denk je, zeker als je jong bent, dat het een perfect stuk werk is. Maar hoe meer vertalingen ik maak, des te duidelijker zie ik mijn eigen tekortkomingen, de bijna onmogelijke eisen waaraan een vertaalde tekst moet voldoen, de grote hoeveelheid alternatieven waaruit een keuze moet worden gemaakt.
Die roman van Potocki was niet bepaald een werk voor beginners: geschreven in de achttiende eeuw, door een in feite Poolse auteur. Merkwaardigerwijs kreeg ik daarna steeds opnieuw weer boeken te vertalen van schrijvers die niet van oorsprong Frans waren. Victor Serge bijvoorbeeld was een Rus die schreef in het Frans, en ik vertaalde ook Samuel Beckett, Pablo Picasso, Jorge Semprun.1 Op dit moment ben ik weer met een auteur bezig die minstens tweetalig is: de Amerikaan Jonathan Littell.

dinsdag 20 december 2016

LIRA adieu!

Een prachtige dag was het, de zeventiende december 2016 in de Rode Hoed. Kees Holierhoek trad terug als voorzitter van LIRA, de organisatie die dertig jaar geleden werd opgericht en waarvan hij vanaf dat moment voorzitter was. Na de officiële vergadering volgde de lunch. Toen kwam er een interessant en vrolijk middagprogramma, met sprekers over het thema `dagboek', afgewisseld met zang en poëzie. Langdurig applaus, diner, cadeaus... Wat kan een scheidend voorzitter zich beter wensen? Ja, een goede opvolger, en die is gevonden in de persoon van Felix Rottenberg. Kees' oudste zus mocht een bijdrage leveren aan het minisymposium en ze deed dat met veel plezier. Hier volgt de tekst van wat ik daar naar voren bracht:


Ik kom uit een degelijke familie. Onder de grappenmakerij hebben wij een filosofisch-juridische inslag. Dus dit wordt een degelijk verhaal, dat cirkelt rondom een onbekend dagboek en uitmondt in een advies. Kort samengevat zal ik een aantal van mijn contacten met dagboeken van anderen aanstippen, waarbij ik geleidelijk aan dichter in de buurt hoop te komen van de onbekende kern, namelijk het geheime dagboek van iemand die niet alleen een ongelofelijk aantal jaren voorzitter was van de LIRA, maar die ook mijn broer was en blijft. Voorzitters komen en gaan, maar een familieband blijft altijd bestaan, en daar ben ik blij om. Ik zal in mijn verhaal zwaar leunen op de Franse literatuur en filosofie, want dat is mijn vak: vertalen uit het Frans. Het leverde me al vele jaren een aardige vergoeding van de kant van LIRA op, en wel wat meer dan de droevige dubbeltjes waar Hanneke Groenteman eerder op deze middag van repte. Ik ben benieuwd hoeveel ik volgend jaar krijg. Is het bedrag beduidend minder dan ik gewend ben, dan moet mijn broer al die jaren te mijnen gunste gemanipuleerd hebben met de cijfers. We wachten af…

            Ik ga iets zeggen over de dagboeken van anderen omdat ik er zelf geen heb. Wie een beetje door google dwaalt, zal zien dat het schrijven van dagboeken veelal een mannenaangelegenheid is. Vrouwen zijn meer van het corresponderen – en nu generaliseer ik uiteraard. Het lijkt of vrouwen graag schrijven naar elkaar en mannen naar zichzelf.

zaterdag 3 december 2016

Opgestane heer

De melodie blijft me vriendelijk achtervolgen. Zojuist nog dwarrelden de klanken uit een carillon op het marktplein hier in Straelen. Een week geleden zongen we het lied in de hal van een appartementengebouw  in Berlijn, waar de bewoners zich hadden verzameld om met een reeks van liederen de advent in te luiden. Toen begon de tekst met: Tochter Zion, freue dich, jauchzet laut, Jerusalem! En twee weken geleden, in mijn eigen Delft, herkende ik dezelfde melodie in Joshua, een oratorium van Händel dat werd uitgevoerd in een volle Raamkerk. Te bedenken dat ik tot dan toe alleen de versie U zij de glorie kende! Die Nederlandse vertaling van een Franse tekst van Edmond Budry heeft me nooit kunnen bekoren: `opgestane heer’, `’t verwonnen graf’,`blijde en welgezind’ … Het klinkt allemaal niet zo spannend. Ik krijg meteen associaties met een log orgel dat verwoede pogingen doet  het trage gezang van de gelovigen voort te stuwen. Nee, dan liever Joshua, het oratorium waar de melodie uit afkomstig is. Een krijgshaftige tekst over de hoofdpersoon van het oratorium, die Jericho bedwong met trompetten: See, the conquering hero comes. Je moet van die oudtestamentische vechtlust houden, maar voor Händel was het in ieder geval een gelegenheid om  flink uit te pakken: na een bijna teder, tweestemmig intro barsten zangers, strijkers en blazers los, krachtig ondersteund door de pauk. Voor mij heeft U zij de glorie de laatste weken veel meer diepte gekregen. 

dinsdag 13 september 2016

Thérèse Cornips herdacht

Afgelopen zaterdag kwamen we bijeen. We waren met een stuk of veertig, samen een groot deel van de kring van mensen die haar – van nabij of van wat verder weg – tijdens haar leven hadden omringd. In zijn fijnzinnige welkomstwoord memoreerde Constantijn Kelk haar krachtige persoonlijkheid, haar vele talenten, maar ook de huiselijke briefjes die in Renouprez overal waren bevestigd zoals Niets door de gootsteen gooien, behalve vloeibare stoffen  s.v.p.; Niet aan deze kraan draaien !!!`
         Ook gaf hij een treffende beschrjving van haar late geluk met Carlos van Regteren Altena:  Wij als vriendinnen en vrienden van Thérèse hebben haar geweldige opleving na het begin van haar permanente samenzijn met Carlos vreugdevol aanschouwd en meegemaakt. Ik heb nog altijd het aandoenlijke tafereel op mijn netvlies hoe zij op een zonnige dag in Renouprez dolgelukkig samen in Carlos’ sportautootje met het dak opengeslagen stapten om een tochtje door de omgeving te maken. Beiden waren zij getooid met hagelwitte hoedjes op het hoofd, die met het verdwijnen van de auto in de verte nog het langst als witte stipjes zichtbaar bleven. Carlos’ aanwezigheid betekende ieder jaar weer opnieuw een verrijking van ons verblijf aldaar, al was het maar omdat ook Thérèse daar zo merkbaar en zichtbaar van opknapte.  Zij hebben samen nog, ondanks hun fysieke euvelen,  soms wel bewogen maar al met al toch zeer gelukkige jaren beleefd. Carlos heeft Thérèse enorm bijgestaan bij het doornemen van haar teksten en met vele ander dingen. Als bij hen naar de gezondheid werd geïnformeerd, antwoordden ze het liefst: Bedonderd, maar niet tragisch. Zo kun je met zich herhalende tia’s en met toenemende blindheid en zo meer samen toch nog prettig oud worden.
         Thérèse wilde geen familie of vrienden bij haar crematie, maar nu konden we het een beetje inhalen, herinneringen uitwisselen en – zoals dat ook vaak gebeurt na een uitvaart – behoedzaam overgaan tot de orde van de dag. Maud Peereboom had er haar huis en tuin gastvrij voor opengesteld. Ik ben Maud en de andere leden van het stichtingsbestuur buitengewoon dankbaar voor deze serene en  vriendschappelijke middag.
         De Proust-bibliotheek van Thérèse rust inmiddels in het Europäisches Übersetzer Kollegium in Straelen: de Franse Recherche in een aantal versies, haar vertalingen, de volledige correspondentie van Proust, biografieën, allerlei commentaren.  Voor wie zich nog eens in die doorleefde boekenverzameling van ettelijke meters wil verdiepen: Straelen ligt op 10 kilometer van Venlo en de medewerksters daar weten wat gastvrijheid is. Thérèse verbleef ooit in het EÜK, ze verwerkte haar herinneringen daaraan nog in de ultrakorte toespraak die ze mocht houden toen ze de Nijhoffprijs in ontvangst nam: in dat Kollegium  mocht je roken en ze had er interessante gesprekken gevoerd met Projektleiter Klaus Birkenhauer, vertelde ze. Ook die tijden zijn vervlogen: er wordt in het Kollegium niet meer gerookt en de betreurde Klaus Birkenhauer is al geruime tijd vóór haar gestorven.
        
Altijd weer vind ik Thérèse terug in haar vertalingen, waarin schilderachtige woorden zich aaneenrijgen tot adembenemende zinnen. Aan wie geen tijd heeft om de hele Recherche te lezen, raad ik vaak Plaatsnamen: de naam aan. Nog geen 60 pagina’s, maar zo vol proustiaanse thema’s. Ik sla het boekje open aan het eind, want ik ben in een stemming voor mooie afsluitingen : De herinnering aan een bepaald beeld is niets anders dan heimwee naar een bepaald moment; en huizen, wegen en lanen zijn, helaas, vluchtig als de jaren.        



vrijdag 2 september 2016

Het verlangen naar kennis, de wil tot weten



Het vertalen van filosofische teksten: mijn reis van dromen naar denken
(Ik schreef dit stukje voor `Vertaalverhaal')



Lang geleden meldde ik me aan voor de studie Frans in Leiden. Vol verwachting betrad ik het studentenleven. Het was in de tijd dat de Franse existentialisten populair waren. Ik droomde van een ongebonden leven als dat van Simone de Beauvoir.  Zoiets wilde ik ook: wonen in een sjofele kamer, werken in een café, met vrienden discussiëren over de vraag of het leven wel zin had en ’s nachts in kelders luisteren naar jazzmuziek, desnoods met een glas whiskey in de hand. Ach ja. Algauw bleek Leiden toch iets anders dan Parijs, en wat ernstiger was: de studie Frans bleek iets anders in te houden dan het lezen van de existentialisten. Niet literair genoeg, hoorde ik van de docenten. Verdiep je eerst maar eens in het Chanson de Roland, in het werk van Molière en Mallarmé. Veel later komt de twintigste eeuw dan wel aan de beurt, en daarvan vooral de literatuur, niet die teksten met filosofische pretenties.

         Gelukkig moest je na het kandidaatsexamen een bijvak kiezen en daartoe meldde ik me, alweer vol verwachting, bij het Filosofisch Instituut. Nog steeds zocht ik naar de existentialisten, maar wat ik op de Witte Singel in Leiden aantrof was de analytische filosofie van de Angelsaksen: Russell, Popper, Alfred Ayer. De existentialisten werden `niet filosofisch genoeg’ bevonden. De Franse filosofie was trouwens over de hele linie te zweverig, zo luidde daar de boodschap. Desondanks waren het heerlijke jaren, waarin ik veel heb geleerd: over logica en drogredenen, over Wittgenstein en Aristoteles – maar niet over de Franse filosofie.

         Uiteraard zitten studenten niet gevangen in hun studieprogramma, zeker niet in de jaren zestig, toen de studietijd nog comfortabel kon worden opgerekt. Door de jaren heen bleef ik de Franse filosofie met belangstelling volgen. Geleidelijk wisten uitgevers me te vinden en zo kreeg ik toch nog de kans filosofische teksten te vertalen van Simone de Beauvoir en Sartre maar ook van Foucault, Descartes, Bergson, van mijn grote vriend Montesquieu en van nog meer Franse denkers.

         Het is alweer een jaar geleden dat het ELV een korte cursus organiseerde in het vertalen van filosofische teksten uit het Duits of uit het Frans. Een mooi initiatief vond ik dat, en niet alleen omdat ik het groepje `Frans’ onder mijn hoede mocht nemen. De belangstelling voor filosofie lijkt nog steeds groeiende. Tal van filosofen beklimmen gretig een podium om als scherpzinnige entertainers hun publiek aan het denken te zetten, we hebben zelfs een Denker des Vaderlands. Er is een blijvende behoefte aan nieuwe vertalingen van klassieke teksten. Moderne filosofen weten zich te roeren in het publieke debat en dan wil je graag ook iets van ze lezen. Kortom, hier liggen toekomstmogelijkheden voor vertalers. Maar het is wel degelijk een sprong, van literair naar filosofisch vertalen.

maandag 4 juli 2016

Correctie: kruipend over het kerkhof



Onnodig zwaar drukte het op mijn kinderziel, de gedachte
aan de ingemetselde zuster Trui. Ik schreef een blogbericht over haar op 1 oktober 2013. Mijn hele jeugd door zag ik haar in mijn verbeelding opgesloten in haar kluis naast de Nieuwe Kerk in Delft, en hoe moest dat dan met eten, met nagels en haren en kiespijn, met de hygiëne in het algemeen? Al die kinderzorgen blijken nu overbodig. Ik las het een en ander in Verborgen vrouwen, kluizenaressen in de middeleeuwse stad van Anneke B. Mulder-Bakker. En wat blijkt? Het inmetselen was een symbolische handeling. Er was in de kluis een dichtgemetselde muur, maar er was ook een deur, aan de andere kant. Mensen kwamen op bezoek, de biechtvader maar ook vereerders die om raad kwamen vragen. De kluizenares kon naar buiten, leefde soms zelfs langdurig met een collega-kluizenares in één kluis, zij het op verschillende verdiepingen. Mulder-Bakker schrijft: `In vergelijking met de behuizing van doorsnee burgers in die tijd, woonden de reclusen relatief comfortabel.’ Ook zij heeft `Truysuster’ gespot, zie p. 28 van haar boek. `Delftenaren troffen haar soms midden in de nacht op het kerkhof aan als ze heimelijk buiten de kluis op haar blote knieën rond de kerk kroop.’ Vroomheid onder een nachtelijke sterrenhemel lijkt mij te verkiezen boven bidden in de klamme duisternis tussen vier muren. Wat een opluchting na al dat nutteloze meeleven, 55 jaar lang, van de kant van ondergetekende!