zondag 9 april 2017

Afgestoft en opgepoetst

       De nijvere speurders die met bewonderenswaardige volharding VertaalVerhaal gaande houden, diepten enige tijd geleden een interview op dat Adèle Nieuweboer mij jaren geleden afnam. Er is in overleg nog wat aan gesleuteld en geactualiseerd. Nu is het gepubliceerd als VertaalVerhaal. De weduwe Montesquieu is intussen alweer weduwe Descartes geworden maar daarna -- o vreugde! -- verloofd geraakt met Michel Foucault. Hieronder volgt het vraaggesprek, waarin ik mezelf nog steeds herken.


De weduwe Montesquieu

Jeanne Holierhoek in gesprek met Adèle Nieuweboer

Jeanne Holierhoek (1947) studeerde Franse taal- en letterkunde in Leiden. Ze vertaalde romans van o.a. Michel Tournier, Jean Giono, Lydie Salvayre. Tegenwoordig vertaalt ze vooral filosofische teksten uit heden en verleden. Ze geeft workshops en lezingen, tevens mentoreert ze beginnende vertalers en schrijft ze korte teksten over vertalen. In 2001 werd ze Chevalier in de Ordre des Arts et des Lettres. In 2007 ontving ze de Dr. Elly Jafféprijs voor haar gehele vertaaloeuvre, in het bijzonder voor Over de geest van de wetten van Montesquieu. In 2011 ontving ze, samen met auteur Marie NDiaye, voor Drie sterke vrouwen de eerste Europese Literatuurprijs. Samen met Mirjam de Veth schreef ze een ultradun boekje over leven en werken van Elly Jaffé: C’est mágnifique! Ze houdt een blog bij: http://jeanneholierhoek.blogspot.nl/

Adèle Nieuweboer (1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was onder meer werkzaam aan de Haagse Leergangen, later aan de Haagse Hogeschool. Haar specialisatie was de 18de-eeuwse letterkunde. Een van haar favorieten was Jacob Campo Weyerman, een andere Gerrit Paape, van wie ze met name de verhouding vertaling/oorspronkelijke tekst in zijn romans bestudeerde. Ook werkte ze aan de beschrijving van grote collecties gelegenheidsgedichten tot 1800 van de Koninklijke Bibliotheek, de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, het gemeentearchief Amsterdam en het Centraal Bureau voor Genealogie. Uit het werk aan Weyerman, Paape en de gelegenheidsgedichten vloeiden publicaties voort. Dit interview verscheen oorspronkelijk in Nieuw Letterkundig Magazijn (jaargang 26, 2008).



De weduwe Montesquieu

Op 7 juni 2007 ontving Jeanne Holierhoek de tweejaarlijkse Dr. Elly Jaffé Prijs voor haar vertalingen uit het Frans, met name voor de vertaling van De l'esprit des lois van Montesquieu, die in 2006 verscheen onder de titel Over de geest van de wetten. De jury sprak bewondering uit voor haar vermogen om de specifieke vertaalproblemen van Montesquieu de baas te worden en zijn complexe stijl voor de hedendaagse lezer begrijpelijk en aantrekkelijk te maken. Enkele maanden na de uitreiking van de Elly Jaffé Prijs vond een gesprek plaats over haar vertaalwerk rond de vraag ‘Waarom vertaalt een vertaalster wat ze vertaalt?’

Hoe komt iemand ertoe om te gaan vertalen?
Eigenlijk wist ik al in mijn studietijd dat ik wilde gaan vertalen. Een studie vertaalwetenschap of vertaalkunde bestond toen nog niet. Ik studeerde Frans en deed als keuzevakken traductologie en lexicologie. Zo kwam ik iets te weten over vertaaltheorieën, over de stilistische aspecten van het vertalen en over woordenboeken. Voor het vak lexicologie moest je bijvoorbeeld een referaat schrijven over de opbouw van vijf synoniemenwoordenboeken en hun onderlinge verschillen.
Misschien wilde ik wel zo graag gaan vertalen omdat er iets romantisch en artistieks aan het vak kleefde. Daar denk ik inmiddels wel anders over. Vertalen is vooral hard werken.
Ik liep ’s morgens in Leiden voor mijn bijvak filosofie over de Witte Singel naar het Filosofisch Instituut en daar zat op de Witte Singel, in een grote huiskamer, iemand te vertalen: Clasine Heering-Moorman, de vrouw van professor Heering, die godsdienstfilosofie en ethiek doceerde. Ik geloof dat ik vooral contact met hem gezocht heb om haar te leren kennen. Uiteindelijk zat ik dus in die grote huiskamer op de thee. Ik wilde zo graag weten hoe je het aanpakt om vertaalster te worden. Tot mijn teleurstelling kon zij het me niet precies vertellen. Ik begrijp dat nu beter, nu studenten mij vaak vragen ‘Hoe word ik vertaler?’ en ik het antwoord ook niet goed weet. De weg naar het vertaalvak en naar vertaalopdrachten is meestal nogal grillig, al zijn er tegenwoordig wel wat meer opleidingen. Daar kun je in ieder geval oefenen en aanwijzingen krijgen, bijvoorbeeld op de VertalersVakschool.

Hoe gaat dat dan in de praktijk, vertaler worden?
Het begon in mijn geval met een vrij gebruikelijke stap: ik schreef een brief aan uitgeverij Meulenhoff. En ik werd uitgenodigd voor een gesprek met Theo Sontrop, in die tijd de directeur. Wat mij de eer verschafte is me nog steeds niet helemaal duidelijk. Hij hield een vrij lange monoloog die eindigde met een waarschuwing: ‘Ga maar niet vertalen, want de meeste vertalers raken aan de drank en eindigen in de goot.’ Daar was dus weer dat romantische beeld van het vertalen, de vertaler als artiste maudit. Na deze ernstige waarschuwing mocht ik van Sontrop toch een proefvertaling maken, een fragment uit Bouvard et Pécuchet van Flaubert. Mijn probeersel kwam min of meer in het niets terecht, want Sontrop verhuisde naar De Arbeiderspers en bij Meulenhoff kon niemand de proefvertaling meer vinden. De nieuwe directeur, Laurens van Krevelen, gaf me toen maar meteen een complete opdracht, misschien uit schuldgevoel, of omdat ik toevallig belde op het moment dat hij iemand zocht? In 1974 verscheen dus mijn eerste vertaling: Veertien dagen uit het leven van Alfons van Worden (Manuscrit trouvé à Saragosse) van Jean Potocki. Van zo'n eerste vertaling denk je, zeker als je jong bent, dat het een perfect stuk werk is. Maar hoe meer vertalingen ik maak, des te duidelijker zie ik mijn eigen tekortkomingen, de bijna onmogelijke eisen waaraan een vertaalde tekst moet voldoen, de grote hoeveelheid alternatieven waaruit een keuze moet worden gemaakt.
Die roman van Potocki was niet bepaald een werk voor beginners: geschreven in de achttiende eeuw, door een in feite Poolse auteur. Merkwaardigerwijs kreeg ik daarna steeds opnieuw weer boeken te vertalen van schrijvers die niet van oorsprong Frans waren. Victor Serge bijvoorbeeld was een Rus die schreef in het Frans, en ik vertaalde ook Samuel Beckett, Pablo Picasso, Jorge Semprun.1 Op dit moment ben ik weer met een auteur bezig die minstens tweetalig is: de Amerikaan Jonathan Littell.

dinsdag 20 december 2016

LIRA adieu!

Een prachtige dag was het, de zeventiende december 2016 in de Rode Hoed. Kees Holierhoek trad terug als voorzitter van LIRA, de organisatie die dertig jaar geleden werd opgericht en waarvan hij vanaf dat moment voorzitter was. Na de officiële vergadering volgde de lunch. Toen kwam er een interessant en vrolijk middagprogramma, met sprekers over het thema `dagboek', afgewisseld met zang en poëzie. Langdurig applaus, diner, cadeaus... Wat kan een scheidend voorzitter zich beter wensen? Ja, een goede opvolger, en die is gevonden in de persoon van Felix Rottenberg. Kees' oudste zus mocht een bijdrage leveren aan het minisymposium en ze deed dat met veel plezier. Hier volgt de tekst van wat ik daar naar voren bracht:


Ik kom uit een degelijke familie. Onder de grappenmakerij hebben wij een filosofisch-juridische inslag. Dus dit wordt een degelijk verhaal, dat cirkelt rondom een onbekend dagboek en uitmondt in een advies. Kort samengevat zal ik een aantal van mijn contacten met dagboeken van anderen aanstippen, waarbij ik geleidelijk aan dichter in de buurt hoop te komen van de onbekende kern, namelijk het geheime dagboek van iemand die niet alleen een ongelofelijk aantal jaren voorzitter was van de LIRA, maar die ook mijn broer was en blijft. Voorzitters komen en gaan, maar een familieband blijft altijd bestaan, en daar ben ik blij om. Ik zal in mijn verhaal zwaar leunen op de Franse literatuur en filosofie, want dat is mijn vak: vertalen uit het Frans. Het leverde me al vele jaren een aardige vergoeding van de kant van LIRA op, en wel wat meer dan de droevige dubbeltjes waar Hanneke Groenteman eerder op deze middag van repte. Ik ben benieuwd hoeveel ik volgend jaar krijg. Is het bedrag beduidend minder dan ik gewend ben, dan moet mijn broer al die jaren te mijnen gunste gemanipuleerd hebben met de cijfers. We wachten af…

            Ik ga iets zeggen over de dagboeken van anderen omdat ik er zelf geen heb. Wie een beetje door google dwaalt, zal zien dat het schrijven van dagboeken veelal een mannenaangelegenheid is. Vrouwen zijn meer van het corresponderen – en nu generaliseer ik uiteraard. Het lijkt of vrouwen graag schrijven naar elkaar en mannen naar zichzelf.

zaterdag 3 december 2016

Opgestane heer

De melodie blijft me vriendelijk achtervolgen. Zojuist nog dwarrelden de klanken uit een carillon op het marktplein hier in Straelen. Een week geleden zongen we het lied in de hal van een appartementengebouw  in Berlijn, waar de bewoners zich hadden verzameld om met een reeks van liederen de advent in te luiden. Toen begon de tekst met: Tochter Zion, freue dich, jauchzet laut, Jerusalem! En twee weken geleden, in mijn eigen Delft, herkende ik dezelfde melodie in Joshua, een oratorium van Händel dat werd uitgevoerd in een volle Raamkerk. Te bedenken dat ik tot dan toe alleen de versie U zij de glorie kende! Die Nederlandse vertaling van een Franse tekst van Edmond Budry heeft me nooit kunnen bekoren: `opgestane heer’, `’t verwonnen graf’,`blijde en welgezind’ … Het klinkt allemaal niet zo spannend. Ik krijg meteen associaties met een log orgel dat verwoede pogingen doet  het trage gezang van de gelovigen voort te stuwen. Nee, dan liever Joshua, het oratorium waar de melodie uit afkomstig is. Een krijgshaftige tekst over de hoofdpersoon van het oratorium, die Jericho bedwong met trompetten: See, the conquering hero comes. Je moet van die oudtestamentische vechtlust houden, maar voor Händel was het in ieder geval een gelegenheid om  flink uit te pakken: na een bijna teder, tweestemmig intro barsten zangers, strijkers en blazers los, krachtig ondersteund door de pauk. Voor mij heeft U zij de glorie de laatste weken veel meer diepte gekregen. 

dinsdag 13 september 2016

Thérèse Cornips herdacht

Afgelopen zaterdag kwamen we bijeen. We waren met een stuk of veertig, samen een groot deel van de kring van mensen die haar – van nabij of van wat verder weg – tijdens haar leven hadden omringd. In zijn fijnzinnige welkomstwoord memoreerde Constantijn Kelk haar krachtige persoonlijkheid, haar vele talenten, maar ook de huiselijke briefjes die in Renouprez overal waren bevestigd zoals Niets door de gootsteen gooien, behalve vloeibare stoffen  s.v.p.; Niet aan deze kraan draaien !!!`
         Ook gaf hij een treffende beschrjving van haar late geluk met Carlos van Regteren Altena:  Wij als vriendinnen en vrienden van Thérèse hebben haar geweldige opleving na het begin van haar permanente samenzijn met Carlos vreugdevol aanschouwd en meegemaakt. Ik heb nog altijd het aandoenlijke tafereel op mijn netvlies hoe zij op een zonnige dag in Renouprez dolgelukkig samen in Carlos’ sportautootje met het dak opengeslagen stapten om een tochtje door de omgeving te maken. Beiden waren zij getooid met hagelwitte hoedjes op het hoofd, die met het verdwijnen van de auto in de verte nog het langst als witte stipjes zichtbaar bleven. Carlos’ aanwezigheid betekende ieder jaar weer opnieuw een verrijking van ons verblijf aldaar, al was het maar omdat ook Thérèse daar zo merkbaar en zichtbaar van opknapte.  Zij hebben samen nog, ondanks hun fysieke euvelen,  soms wel bewogen maar al met al toch zeer gelukkige jaren beleefd. Carlos heeft Thérèse enorm bijgestaan bij het doornemen van haar teksten en met vele ander dingen. Als bij hen naar de gezondheid werd geïnformeerd, antwoordden ze het liefst: Bedonderd, maar niet tragisch. Zo kun je met zich herhalende tia’s en met toenemende blindheid en zo meer samen toch nog prettig oud worden.
         Thérèse wilde geen familie of vrienden bij haar crematie, maar nu konden we het een beetje inhalen, herinneringen uitwisselen en – zoals dat ook vaak gebeurt na een uitvaart – behoedzaam overgaan tot de orde van de dag. Maud Peereboom had er haar huis en tuin gastvrij voor opengesteld. Ik ben Maud en de andere leden van het stichtingsbestuur buitengewoon dankbaar voor deze serene en  vriendschappelijke middag.
         De Proust-bibliotheek van Thérèse rust inmiddels in het Europäisches Übersetzer Kollegium in Straelen: de Franse Recherche in een aantal versies, haar vertalingen, de volledige correspondentie van Proust, biografieën, allerlei commentaren.  Voor wie zich nog eens in die doorleefde boekenverzameling van ettelijke meters wil verdiepen: Straelen ligt op 10 kilometer van Venlo en de medewerksters daar weten wat gastvrijheid is. Thérèse verbleef ooit in het EÜK, ze verwerkte haar herinneringen daaraan nog in de ultrakorte toespraak die ze mocht houden toen ze de Nijhoffprijs in ontvangst nam: in dat Kollegium  mocht je roken en ze had er interessante gesprekken gevoerd met Projektleiter Klaus Birkenhauer, vertelde ze. Ook die tijden zijn vervlogen: er wordt in het Kollegium niet meer gerookt en de betreurde Klaus Birkenhauer is al geruime tijd vóór haar gestorven.
        
Altijd weer vind ik Thérèse terug in haar vertalingen, waarin schilderachtige woorden zich aaneenrijgen tot adembenemende zinnen. Aan wie geen tijd heeft om de hele Recherche te lezen, raad ik vaak Plaatsnamen: de naam aan. Nog geen 60 pagina’s, maar zo vol proustiaanse thema’s. Ik sla het boekje open aan het eind, want ik ben in een stemming voor mooie afsluitingen : De herinnering aan een bepaald beeld is niets anders dan heimwee naar een bepaald moment; en huizen, wegen en lanen zijn, helaas, vluchtig als de jaren.        



vrijdag 2 september 2016

Het verlangen naar kennis, de wil tot weten



Het vertalen van filosofische teksten: mijn reis van dromen naar denken
(Ik schreef dit stukje voor `Vertaalverhaal')



Lang geleden meldde ik me aan voor de studie Frans in Leiden. Vol verwachting betrad ik het studentenleven. Het was in de tijd dat de Franse existentialisten populair waren. Ik droomde van een ongebonden leven als dat van Simone de Beauvoir.  Zoiets wilde ik ook: wonen in een sjofele kamer, werken in een café, met vrienden discussiëren over de vraag of het leven wel zin had en ’s nachts in kelders luisteren naar jazzmuziek, desnoods met een glas whiskey in de hand. Ach ja. Algauw bleek Leiden toch iets anders dan Parijs, en wat ernstiger was: de studie Frans bleek iets anders in te houden dan het lezen van de existentialisten. Niet literair genoeg, hoorde ik van de docenten. Verdiep je eerst maar eens in het Chanson de Roland, in het werk van Molière en Mallarmé. Veel later komt de twintigste eeuw dan wel aan de beurt, en daarvan vooral de literatuur, niet die teksten met filosofische pretenties.

         Gelukkig moest je na het kandidaatsexamen een bijvak kiezen en daartoe meldde ik me, alweer vol verwachting, bij het Filosofisch Instituut. Nog steeds zocht ik naar de existentialisten, maar wat ik op de Witte Singel in Leiden aantrof was de analytische filosofie van de Angelsaksen: Russell, Popper, Alfred Ayer. De existentialisten werden `niet filosofisch genoeg’ bevonden. De Franse filosofie was trouwens over de hele linie te zweverig, zo luidde daar de boodschap. Desondanks waren het heerlijke jaren, waarin ik veel heb geleerd: over logica en drogredenen, over Wittgenstein en Aristoteles – maar niet over de Franse filosofie.

         Uiteraard zitten studenten niet gevangen in hun studieprogramma, zeker niet in de jaren zestig, toen de studietijd nog comfortabel kon worden opgerekt. Door de jaren heen bleef ik de Franse filosofie met belangstelling volgen. Geleidelijk wisten uitgevers me te vinden en zo kreeg ik toch nog de kans filosofische teksten te vertalen van Simone de Beauvoir en Sartre maar ook van Foucault, Descartes, Bergson, van mijn grote vriend Montesquieu en van nog meer Franse denkers.

         Het is alweer een jaar geleden dat het ELV een korte cursus organiseerde in het vertalen van filosofische teksten uit het Duits of uit het Frans. Een mooi initiatief vond ik dat, en niet alleen omdat ik het groepje `Frans’ onder mijn hoede mocht nemen. De belangstelling voor filosofie lijkt nog steeds groeiende. Tal van filosofen beklimmen gretig een podium om als scherpzinnige entertainers hun publiek aan het denken te zetten, we hebben zelfs een Denker des Vaderlands. Er is een blijvende behoefte aan nieuwe vertalingen van klassieke teksten. Moderne filosofen weten zich te roeren in het publieke debat en dan wil je graag ook iets van ze lezen. Kortom, hier liggen toekomstmogelijkheden voor vertalers. Maar het is wel degelijk een sprong, van literair naar filosofisch vertalen.

maandag 4 juli 2016

Correctie: kruipend over het kerkhof



Onnodig zwaar drukte het op mijn kinderziel, de gedachte
aan de ingemetselde zuster Trui. Ik schreef een blogbericht over haar op 1 oktober 2013. Mijn hele jeugd door zag ik haar in mijn verbeelding opgesloten in haar kluis naast de Nieuwe Kerk in Delft, en hoe moest dat dan met eten, met nagels en haren en kiespijn, met de hygiëne in het algemeen? Al die kinderzorgen blijken nu overbodig. Ik las het een en ander in Verborgen vrouwen, kluizenaressen in de middeleeuwse stad van Anneke B. Mulder-Bakker. En wat blijkt? Het inmetselen was een symbolische handeling. Er was in de kluis een dichtgemetselde muur, maar er was ook een deur, aan de andere kant. Mensen kwamen op bezoek, de biechtvader maar ook vereerders die om raad kwamen vragen. De kluizenares kon naar buiten, leefde soms zelfs langdurig met een collega-kluizenares in één kluis, zij het op verschillende verdiepingen. Mulder-Bakker schrijft: `In vergelijking met de behuizing van doorsnee burgers in die tijd, woonden de reclusen relatief comfortabel.’ Ook zij heeft `Truysuster’ gespot, zie p. 28 van haar boek. `Delftenaren troffen haar soms midden in de nacht op het kerkhof aan als ze heimelijk buiten de kluis op haar blote knieën rond de kerk kroop.’ Vroomheid onder een nachtelijke sterrenhemel lijkt mij te verkiezen boven bidden in de klamme duisternis tussen vier muren. Wat een opluchting na al dat nutteloze meeleven, 55 jaar lang, van de kant van ondergetekende!   

zondag 12 juni 2016

Zoeken naar een taal



We schrijven de vijftiger jaren van de vorige eeuw, mijn kinderjaren. Dwars door de genereuze vloer van ons bovenhuis kwamen de schlagers uit de radio van onze Duitse benedenbuurvrouw. Schlagers waarin werd gezongen over een wereld zonder contouren, zonder verleden of toekomst: Deine Heimat ist das Meer van Freddy Quinn, Tausend Sterne stehen in weiter Runde, Rudi Schuricke, Blaue Nacht am Hafen, Lale Andersen. Enzovoort.

         Op dit moment lees ik Nach 1945: Latenz als Ursprung der Gegenwart van Hans Ulrich Gumbrecht. Hij beschrijft de periode van verdoving die na de Tweede Wereldoorlog in Duitsland begon. Overleven, daar ging het toen om, alle krachten waren nodig voor het hier en nu. Het verleden was pijnlijk, op de toekomst had men geen greep. In die naoorlogse jaren werd vooral gezwegen. Duitsland was verwoest, bovendien was een vloed van vluchtelingen vanuit de verloren gebieden naar het Westen getrokken. De ontvangst aldaar was niet hartelijk. Zo gaat dat nog steeds met vluchtelingen, dat weten we maar al te goed.

         Intussen hoorde ik als kind ook weleens de stem van Hitler op de radio. Dat moet zijn geweest in het kader van historische documentaires. Zonder te begrijpen wat er werd gezegd, ervoer ik dat geluid als de stem van het absolute kwaad, vervulde dat snijdende gebral me met afschuw. Dat het publiek op de geluidsopname van de toespraak juichte, was voor mij als kind het bewijs dat de Duitsers toch wel erg dom waren: iedereen kon immers horen dat dit het gekrijs van een waanzinnige was. 

         Zo’n veertig jaar later ging ik voor het eerst naar het Duitse vertalershuis in Straelen. Met de fiets in de trein naar Venlo en dan nog 11 kilometer naar het Europäisches Übersetzer Kollegium. Het ligt vlak bij de Nederlandse grens, maar het is er al heel Duits. Een deel van het indrukwekkende boekenbezit vult de algemene ruimtes, een ander deel is verspreid over de kamers van de vertalers. Het toeval wilde dat ik terechtkwam in de kamer met de verslagen over het proces van Nürnberg, vlak na de oorlog gevoerd tegen de nazi-kopstukken die men nog had kunnen oppakken. Ik sloeg een van die boeken open: het verhoor van Hermann Göring, rijksmaarschalk ten tijde van het Derde Rijk. Tot mijn verbazing maakte ik uit het letterlijke verslag op dat Göring niet bralde en blafte, maar sprak in zorgvuldig  geconstrueerde volzinnen. Het proces Eichmann was enigszins aan me voorbijgegaan, anders zou ik dat al veel langer hebben geweten. Dan zou ik De zaak 40/61 van Harry Mulisch hebben gelezen en De banaliteit van het kwaad van Hannah Arendt. Maar op het moment van het Eichmann proces was ik een puber en pubers hebben het te druk met zichzelf. Dat die bloeddorstige honden  zich net als ieder ander van een taal konden bedienen,  maakte de zaak er voor mij niet eenvoudiger op.
         Claude Lanzmann had de grootste moeite om voor zijn film Shoah daders tot spreken te krijgen en hij was tot de conclusie gekomen dat `de beulen zwijgen’. Het verklaart zijn enthousiasme over Les bienveillantes van Jonathan Littell, een roman (2006) waarin SS-officier Max Aue rond de 1.000 pagina’s lang zelf aan het woord is. `Littell heeft de taal van de beulen uitgevonden,’ stelde hij. Wat Lanzmann de reële daders nauwelijks had kunnen ontfutselen, meende hij te hebben gevonden in het relaas van de fictieve Aue, die provocerende verklaringen aflegt en geregeld in de roes van de waanzin verkeert. We zien Aue van een scherpzinnige intellectueel veranderen in een man zonder geweten, aangevreten door het geweld dat hij om zich heen heeft gezien en waaraan ook hijzelf zich schuldig heeft gemaakt.

         Het boek werd door Janneke van der Meulen en mij vertaald als De welwillenden (2008, Arbeiderspers). Ik herinner me  nog de blinde verontwaardiging die Die Wohlgesinnten  indertijd in Duitsland opriep, maar nu het stof is neergedaald volgen de meer bezonnen beschouwingen die het boek  mijns inziens verdient. Zo diept Martin von Koppenfels in Schwarzer Peter, Der Fall Littell, die Leser und die Täter thema’s als daderperspectief, identificering en taal van de beul verder uit. In Frankrijk was het overigens andersom: op het aanvankelijk enthousiasme volgde een berg van kritiek. Zie hiervoor ook het artikel dat ik publiceerde in het tijdschrift Filter: http://www.tijdschrift-filter.nl/jaargangen/2008/154/de-memoires-van-een-moordenaar-3-11.aspx Daarin schrijf ik onder andere over het feit dat in Les Bienveillantes de slachtoffers vrijwel niet aan het woord komen en dat juist hun zwijgen zo aangrijpend is. Zelfs de taal is hun in dit boek ontnomen. In plaats daarvan heeft Littell gezocht naar een daderstaal, voorbij de ambtelijk getinte uiteenzettingen die figuren als Eichmann en Höss hielden in `de taal van de macht', aldus Littell in een interview. Hij heeft gezocht naar een fictieve taal die de lezer dwingt tot een moeizame confrontatie, tot een hachelijke identificatie met een beul die spreekt in de ik-vorm en die al in het allereerste woord – mensenbroeders – een misdadige hand op onze schouder legt.