
Ik herinner me de gesprekken op de afscheidsborrels in het vertalershuis, waar het immers altijd een komen en gaan is. Gesprekken vol taalgrappen en boektitels, waarin achteloos tentoongespreide eruditie en huishoudelijke bekommernissen elkaar afwisselden. Op één zo'n borrel werd voorgelezen uit Meyers Konversations-Lexicon, waaruit bleek dat rond 1890 wel erg simpel en globaal over nationale eigenschappen werd gedacht: de Nederlanders zijn traag, de Finnen sluw, de Roemeense vrouwen bijzonder frivool... Over de Duitsers liet Meyer zich voor het gemak niet uit.
Ik herinner me ook mijn bovenbuurvrouw Renate Schmidgall, vertaalster uit het Pools en dichteres. Ze publiceert in tijdschriften en gaf mij toestemming iets van haar werk op mijn blog te zetten. Hier volgen twee van haar gedichten.
IM Ohr bitter, in der Nase salzig,
und die rauhe Rinde des Birnbaums
vor dem Haus -- mit Mund und Händen
erfuhren wir die Welt.
Und wie ich damals in jedes
erleuchtete Fenster schaute:
sich von aussen finden, da man
innen nicht sein kann.
Wenn wir heute den Schlaf teilen,
den Schweiss, geborgen
wie im Früchtwasser: für eine Nacht
unschuldig wie Kinder und Tiere.
UNGEÖFFNET
So schleppe ich meine Kindheit von Wohnung
zu Wohnung, ungeöffnet. Als käme irgendwann
die Erleuchtung aus diesen Kisten,
ein Blitz, der alles erhellt; die trockene
Kehle, wenn die Luft, von Wein gesättigt,
in lauten, rauchigen Zimmern steht, wenn
uferlos Lachen die Wände durchbricht;
die Angst im Bauch, wenn einer die Tür schliesst.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten