Posts tonen met het label Boek na boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boek na boek. Alle posts tonen

vrijdag 15 januari 2016

Een nieuw leven voor Emmanuel Bove

Breken met je verleden en een nieuw leven beginnen, ergens waar niemand je kent. Het is een bekend thema, een verlangen dat allicht in ieder van ons weleens opflakkert, maar er is een auteur als Emmanuel Bove voor nodig om die radicale wending in zo'n paradox van treffende formuleringen en machteloze ondergang te doen eindigen. Wanneer Charles Benesteau, de hoofdpersoon uit Het voorgevoel, eenmaal stappen heeft gezet om zich min of meer terug te trekken uit de wereld, krijgt hij binnen de kortste keren een horde mensen over de vloer: zijn familie, zijn buren, een hulpbehoevend meisje dat hij bij zich in huis neemt en waarvoor hij meteen ook een oppas moet inhuren -- anders gaan de buren praten. Bovendien zijn er de conciërges van het vooroorlogse Parijs, die alles zien en horen, de anonimiteit van je afstropen; hun loge is een ontmoetingsplaats waar met alle passanten nieuwtjes worden gewisseld. Blijf dan maar eens onopgemerkt!
       Tot overmaat van ramp wordt Charles ziek en verandert zijn kleine appartement in `een soort openbare ruimte’, waar iedereen vrij naar binnen en naar buiten loopt terwijl hij ligt te sterven. Had hij op het moment dat hij zijn radicale beslissing nam al een voorgevoel – zoals de titel van de roman suggereert – dat hij niet lang meer te leven had? Of was hij simpelweg levensmoe? In Zwitserland zou hij misschien genezing hebben gevonden, maar de raad van een arts om de berglucht op te zoeken slaat hij in de wind.
         In 2013 sloot uitgeverij Coppens en Frenks haar deuren met De liefde van Pierre Neuhart, ook een roman van Bove. Het voorgevoel is recentelijk uitgebracht door de Arbeiderspers. De vormgeving is geënt op Pierre Neuhart, al ziet Het voorgevoel er iets zuiniger uit: het papier heeft minder reliëf, de gekleurde letters ontbreken, er zijn geen foto’s in het boek zelf. Maar de foto op het voorplat trekt je wél meteen in de grijstinten van het verhaal. 
         Een uitzondering in al dat grijs is de warmbloedige Danièle Charmes-Aicart. Ooit was ze Charles’ minnares en daarna werd ze zijn trouwe vriendin, die haar netwerk mobiliseert opdat hij de beste medische zorg krijgt. Een zelfstandige vrouw met een groot hart, die een schril contrast vormt met de calculerende benepenheid van Charles' verdere omgeving.
         Ik ben altijd nieuwsgierig naar het slot van een tekst. Een openingszin vloeit immers makkelijker uit de pen dan het einde. Bove toont zijn stilistisch meesterschap vanaf de openings- tot en met de slotzin. Ter illustratie de allerlaatste woorden. Het voorgevoel eindigt met: `… en zelfs Eugénie, tegen wie niemand iets zei.’ Waarna ook het verhaal zwijgt. En De liefde van Pierre Neuhart eindigt eveneens in een wegstervend beeld: `… waren er zoveel mensen op straat dat hij haar bijna meteen uit het oog verloor.’
         Mirjam de Veth heeft van Le pressentiment een vertaling gemaakt die past bij de strakke, ingehouden stijl van de auteur. Als Bove-deskundige heeft ze er een uitvoerig nawoord aan toegevoegd. In dat nawoord is het vocabulaire verrassender, de stijl sterker gekleurd. Het illustreert het verschil tussen de dienstbaarheid van de vertaalster en de creativiteit van de schrijfster.   

zondag 27 december 2015

Een der voorsteden van Delft

Zo noemden althans de Duitsers ´t Woudt toen het op de avond van 10 mei 1940 in hun handen was gevallen. Maar voorstad is een wel erg pretentieuze benaming voor een dorp van rond de 40 inwoners, gelegen aan een doodlopende weg. De vaak gebruikte beschrijving `het kleinste dorp van Nederland’ lijkt meer recht te doen aan deze minuscule verzameling huizen en boerderijen, gegroepeerd rondom een schattig kerkje. Ooit, in de tijd van de grote gezinnen, had het wel bijna honderd inwoners. Tegenwoordig is het terras van Koffiehuis De Hooiberg er op zomerse zondagmiddagen tot aan de rand gevuld, maar in de winter ligt het dorp er verstild bij. Als ik een beetje doorfiets ben ik er in 20 minuten.

Jacques Moerman heeft de geschiedenis van `t Woudt haarfijn uitgepluisd in zijn gelijknamige boek. Vrijwel niets blijft onbesproken. We lezen over de alcoholminnende onderwijzer die uiteindelijk te water raakte en verdronk, we krijgen een lijst voorgeschoteld met de inboedel van een boerderij rond 1900, er wordt ons verteld over een jongen uit Oost-Indië die in het begin van de zeventiende eeuw als knechtje in het dorp verzeild raakte. En hoe kwam een missaal uit ’t Woudt in de Staatsbibliotheek van Bambergen terecht? Wanneer arriveerde er in het kerkje een orgel, wie had dat orgel gemaakt en hoeveel kreeg de maker betaald? Waarom woonde Jacob Campo Weyerman, een bekende auteur uit de periode van de Verlichting, er een tijdje in de pastorie? De synthese ontbreekt, maar wat een stortvloed aan boeiende bijzonderheden en wat een mooie plaatjes! Onlangs werd het boek bekroond met de Oud-Westlandprijs. En de auteur, Jacques Moerman, hield op 17 december een lezing voor ons VVAO-vrouwen van de afdeling Delft, om aan onze kerstviering nog meer glans te geven.     

zaterdag 19 december 2015

Leren lezen

Onlangs besprak ik in ons vertaalatelier een fragmentje uit Discours sur le colonialisme van Aimé Césaire. Mijn belangstelling voor die tekst was gewekt via Critique de la raison nègre van Achille Mbembe, dat Katrien Vandenberghe en ik samen vertaalden. Mbembe schrijft bezadigder dan Césaire, die zijn Discours publiceerde in het begin van de jaren 1950 en fel uithaalt naar de slavenhandelaren van vroeger en vooral naar de kolonisten van zijn eigen tijd. Césaire was in die periode afgevaardigde van Martinique in de Franse volksvertegenwoordiging, waar de vernederingen hem niet bespaard bleven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een woordenwisseling met rechtse afgevaardigden, die ongeveer als volgt verliep:
Poimboeuf: `Wat zou u zonder Frankrijk eigenlijk zijn?’
Aimé Césaire: `Iemand die men niet zou hebben geprobeerd van zijn vrijheid te beroven.’
Theetten: `Dit is belachelijk!’
Caron: `U beledigt het vaderland.’
Bayrou: `U was toch maar wat blij dat men u heeft leren lezen.’
Aimé Césaire: `Niet dankzij u, meneer Bayrou, heb ik leren lezen, maar dankzij de opofferingen van duizenden en duizenden Martinikanen die hebben gezwoegd opdat hun zonen onderwijs zouden kunnen volgen.’
Ook toen was de toon in het Franse parlement dus al bepaald niet vriendelijk. Geen wonder dat Césaire in zijn Discours sur le colonialisme zijn medegekoloniseerden waarschuwt: beschouw iedere vertegenwoordiger van de koloniserende mogendheid als je vijand. Waarna een bonte opsomming volgt. Per slot van rekening was hij niet alleen volksvertegenwoordiger, maar ook een getalenteerd dichter, die de taal naar zijn hand wist te zetten. Zie als je vijanden, zo richt hij zich tot de gekoloniseerden, `niet alleen wrede gouverneurs en folterende prefecten, niet alleen zwepende kolonisten en hebzuchtige bankiers, niet alleen de gewetenloze graaiers en kruiperige magistraten, maar evenzeer de venijnige journalisten, de achterlijke academici die dol zijn op dollars, de metafysische Dogon-dwepers, de halfgare Belgische theologen…’ En zo foetert hij nog vele regels door. Het staat allemaal in zijn Discours sur le colonialisme aan het begin van hoofdstuk 4.     

maandag 30 november 2015

In een overvolle Tram 83


Aan de eerste roman van Fiston Mwanza Mujila, Tram 83, kun je zien dat hij al een aantal toneelstukken heeft geschreven. Het decor is de lawaaiige, smerige kroeg waarnaar het boek is genoemd en waarnaar iedereen altijd weer terugkeert. Het grotere decor is een gebied in Centraal Afrika, het Stadland. Hoofdpersonen zijn de gewiekste cynicus Requiem en de naïeve schrijver Lucien. Ooit waren het vrienden, maar nu probeert Requiem de ander voortdurend een hak te zetten. Dat heeft te maken met een vrouwengeschiedenis. Het verhaal eindigt voor de deur van Tram 83, als ze beiden op de vlucht zijn en zich laten betoveren door de muziek die eruit opklinkt. Is die betovering tijdelijk of voorgoed? Ik zie ze nog niet op de trein naar het Achterland stappen, maar we zullen het nooit weten.
        De schrijver zelf is wel degelijk uit zijn geboorteland Congo vertrokken. Hij leeft in Oostenrijk en schrijft in het Frans. Het Afrikaanse lezerspubliek wordt dus vanuit Europa bediend. Of is het boek vooral voor Europese lezers bedoeld? De Zwitserse uitgever die zich geregeld in Tram 83 zit te bezatten zegt tegen Lucien, in wie we wel iets van de auteur kunnen herkennen: `Dit is een platgeslagen gebied, alles moet weer worden opgebouwd: de wegen, de scholen, de ziekenhuizen, het station en zelfs de mens. We hebben dokters nodig, technici, timmerlieden, vuilnismannen, maar zeker geen dromers!’
         Van wederopbouw komt in het verhaal zelf niet veel terecht. Chaos en destructie overheersen. Het leven is een gevecht waarin geen enkel middel wordt geschuwd: corruptie, prostitutie, afpersing, drugs, geweld.  
Het wordt allemaal suggestief beschreven. We ruiken als het ware het geroosterde rattenvlees, de urine in de gemengde toiletten, de zwetende massa die in vervoering luistert naar het gezang van de diva van de spoorwegen. Het gewoel weerspiegelt zich in de stijl: rommelige dialogen, onvoltooide zinnen, barokke stapelingen. Wie het boek met enige aandacht leest, ziet ook wel elementen die geregeld terugkeren en nog enige consistentie geven aan een wankele wereld. Wie in zo’n wereld geboren wordt, moet onvermoeibaar, inventief en vitaal zijn.
Al vertalend heb ik geprofiteerd van de scherpzinnige inbreng van Noor Damen, Margriet Korteweg, Adrienne Peereboom, Willemijn Schretlen, Alice Teekman en Elly Vlaar-van Gulik. Dank aan alle zes en veel succes bij jullie verdere vertalingen, dames!   

Fiston Mwanza Mujila heeft op 8 december a.s. een gesprek met Lieve Joris in de OBA te Amsterdam. Naast toneelstukken schrijft hij gedichten. Zijn eerste roman bleef in Frankrijk bepaald niet onopgemerkt en werd o.a. genomineerd voor de literaire prijs van Le Monde. Hij is geboren in 1981, dus hij is nog jong. Wat zal zijn volgende roman ons brengen? 

dinsdag 4 maart 2014

Door dik en dun


Ik zal de enige niet zijn die soms een boek niet uitleest. Dat hoeft niet de schuld van het boek zelf te zijn, menigmaal is het de schuld van het leven dat zich tussen jou en de tekst dringt. Als het een dik boek is, probeer dan nog maar eens halverwege de draad van het verhaal opnieuw te pakken te krijgen. Is het een dun boek, dan kun je makkelijker weer van voor af aan beginnen. Zo kreeg De verdrinking, een novelle van Roger Martin du Gard, van mij een herkansing. Gelukkig maar, want het hele eerste gedeelte blijkt een voorbereiding op het tweede. Eerst krijg je allerlei omslachtige beschrijvingen en precieze details te verwerken. De functie daarvan wordt pas duidelijk in deel twee, dat in volle vaart afstormt op een rampzalig einde: de arme bakkersjongen die verdrinkt, het politieonderzoek, de pijnlijke worsteling van de hoofdpersoon met zijn schuldgevoel. Ik raakte enigszins gefascineerd door de figuur van Honoré, de andere bakkersknecht, die meteen doorheeft dat sergeant De Balcourt een oogje heeft op de jonge bakkersleerling Yves. Na de dood van Yves vindt Honoré met taaie volharding zo veel aanwijzingen, verzamelt hij zo veel belastende verklaringen dat Balcourt op een haar na ontsnapt aan een strafrechtelijke procedure. Hoe kan Honoré die scherpe blik hebben ontwikkeld? Was hij zelf ook ooit benaderd door een vriendelijke volwassene? Kunnen we meevoelen met Balcourt, of moeten we hem verfoeien? Ik ben er nog niet uit. Wat dat betreft heb ik nog meer ambivalente gevoelens dan bij Dood in Venetië van Thomas Mann.

Sinds kort ligt in de boekwinkels een ander boek van Roger Martin du Gard, namelijk het eerste deel van De Thibaults, in de vertaling van Anneke Alderlieste. Het is heel wat dikker dan De verdrinking, maar De Thibaults lees je gegarandeerd uit. Ook al komt het leven er nu en dan als storende factor tussen, het verhaal blijft toch in je hoofd hangen en je wilt weten hoe het verder gaat. 

zaterdag 8 februari 2014

De wereld onder de duim

Afgelopen donderdag is de vertaling  gedrukt. Wat kan een boekje van nog geen honderd pagina’s veel stof tot nadenken geven! Michel Serres lichtte recentelijk nog eens zijn ideeën toe in een interview met Frank Renout, dat deze week verscheen in Vrij Nederland. De oude man blikt onverschrokken in de toekomst. Hij verwacht veel van het internet, al ziet hij er natuurlijk ook de risico’s van: de bedreiging van de privacy, het ongegeneerde losgaan van reaguurders in anonieme scheldpartijen. (En als vertaalster voeg ik daar nog aan toe: het stelen van auteursrechtelijk beschermde teksten, wat op lange termijn treurige gevolgen kan hebben voor de literatuur en voor het boek in het algemeen.) Maar wat staat er veel positiefs tegenover: de eindeloze hoeveelheid informatie die je snel even kunt ophalen, de contacten die je kunt onderhouden met mensen uit de hele wereld, het gemak waarmee je je leven kunt organiseren... 
Serres verwacht ook veel van de vrouw. Niet voor niets heeft hij aan het Franse origineel de titel Petite Poucette meegegeven: Klein Duimpinnetje kan het nog weleens beter gaan doen dan Klein Duimpje, ze is serieuzer, vlijtiger, vasthoudender. Verder is en blijft Serres filosoof door een derde, nieuwe ontdekkingsmethode te plaatsen naast de deductie en de inductie: de methode van de serendipiteit, het onverwachts vinden van iets waar je niet naar op zoek was. Op de digitale snelweg kun je immers na elke bocht op een verrassende vondst stuiten.
         Van de discipline van deze meer dan tachtigjarige kan ik nog wel wat leren. Al mijn vragen beantwoordde hij prompt, en niet in telegramstijl maar in de vorm van complete colleges. Een soortgelijke toewijding en zorgvuldigheid had ik al mogen ervaren bij de vertaling van Musique. Ook die eigenschap van hem maakt hem tot een van mijn favoriete auteurs.
Wat me als het schrijnendst is bijgebleven, waren de opmerkingen die de auteur Klein Duimpinnetje in de mond legt als zij haar vader verwijt dat ze van de generatie boven haar op het vlak van morele principes en idealen niet veel anders heeft geleerd dan individualisme en assertiviteit. Dus wat durft die oudere generatie te zeuren over het oppervlakkige van facebook en twitter, over het gebrek aan saamhorigheid van de jongeren van nu? Die jongeren proberen juist een nieuw soort gemeenschappen te creëren. En digitale gemeenschappen zijn in ieder geval minder bloeddorstig dan de oude, waarin de lof werd gezongen van volk en vaderland. Michel Serres, die te veel oorlogen heeft meegemaakt, te veel doden heeft gezien, hoopt met de jongeren mee op een betere toekomst. Bij hem is niets te bespeuren van het cultuurpessimisme dat oudere filosofen pleegt te overvallen, en die open houding van hem ervaar ik als een weldaad. Al weten we natuurlijk allemaal dat er op de wereld nog steeds bloedige oorlogen gaande zijn. Ook die informatie wordt ons via het internet maar al te dringend voorgehouden.

maandag 3 februari 2014

Een stoere Bergson

Op dit moment ligt centraal op mijn bureau Essai sur les données immédiates de la conscience van Henri Bergson. Decennia geleden had ik me er al eens in verdiept, omdat ik de tijdsopvatting van Bergson wilde vergelijken met die van zijn neefje Marcel Proust. Nu ploeg ik er van voor naar achter doorheen, want uitgeverij Boom gaat een vertaling van dit klassieke essay uitbrengen. Psychofysica, integraal- en differentiaalrekenen: het betoog is  verre van oppervlakkig. Gelukkig wordt het allemaal elegant geformuleerd; niet voor niets werd het oeuvre van Bergson in 1927 bekroond met de Nobelprijs voor literatuur.  

Van sympathieke bezoekers, die Bergson op mijn bureau hadden gespot, kreeg ik kort geleden een mooi boek cadeau. Het verscheen in 1999, in combinatie met de expositie van dat moment in Galerie Imago. De titel is Eenentwintig filosofen van de twintigste eeuw verbeeld. Eric Claus maakte 21 portretpenningen van filosofen uit de 21ste eeuw, samen met bronzen beelden waarin hij probeerde de personen en hun denken te karakteriseren: het gezicht van Foucault voorzien van een masker, Wittgenstein met een weggeworpen ladder, Sartre worstelend met de ander, enzovoort. Tot mijn verrassing sierde de penning van `mijn eigen Bergson' – vertalen is dienstbaarheid maar ook annexatie! − de voorkant van dat boek, met een hoed op die hem kordater maakt dan hij er op de meeste foto’s uitziet. Het is een genot om te bladeren, de foto’s van de penningen en beelden te bewonderen en de teksten te lezen, waarin elk van de 21 filosofen door een specifieke deskundige kort wordt geïntroduceerd.

  1. Ook van Sartre (en Simone de Beauvoir) maakte Eric Claus een penning. De schetsen vind ik minstens zo mooi als de penning zelf. Met mijn liefde voor lijntjes en bruggetjes laat ik ze hier in aansluiting op Violette nog even zien. 





zaterdag 25 januari 2014

W.F. Hermans kortstondige collega

Is de stuntelig in elkaar geknutselde titel mislukkingskunstenaar expres gekozen om het element van de mislukking te benadrukken? Het boek zelf van voor naar achter lezen gaat me waarschijnlijk ook al niet lukken, daar is het te dik en te gedetailleerd voor. En altijd wachten er andere boeken. Voorlopig lees ik dan ook fragmentarisch en via de index, al weet je nooit tot wat voor inniger kennismaking dat gegrasduin nog kan leiden. In die index stuitte ik op Elly Freem, de latere Elly Jaffé-Freem, die haar naam gaf aan de prijs waarmee menig vertaaloeuvre (Frans-Nederlands) intussen is bekroond. W.F. Hermans ontmoette haar in de boekhandel waar ze tijdens de oorlog werkte. Hij probeerde haar te veroveren met gecompliceerde liefdesbrieven, maar het was vergeefse moeite. 
Op p. 432 e.v. las ik nog dat Hermans een kortstondige collega van me is geweest. Hij vertaalde Daylight on Saturday van J.B. Priestley. Zijn tempo lag hoog, maar naar de smaak van De Arbeiderspers was de vertaling niet goed genoeg. Er werd dan ook door een medewerker driftig in gecorrigeerd, met als gevolg dat Hermans zijn naam als vertaler niet meer in het boek opgenomen wilde zien. De les die uitgevers maar moeizaam leren, is dat schrijven een ander vak is dan vertalen. 

vrijdag 10 januari 2014

Reis in de diepte

De meeste mensen reizen tegenwoordig in de breedte. Gebrek aan middelen en gebrek aan tijd houden mij wat dichter bij huis. Ik zal nooit New York zien, noch de Chinese Muur of Kaap de Goede Hoop. Hoeft ook niet. Het eiland Texel, omspoeld door golven in voortdurend wisselende kleuren, was dit jaar een prachtig decor om oud en nieuw te vieren. Ik wandelde er in de wind en ik maakte er ook een korte reis in de diepte, terug in de tijd. Op wat `het Russenkerkhof’ wordt genoemd, zagen we het gedenkteken voor de Georgiërs die zijn gevallen in de strijd tegen de Duitsers. Ik had al eens gelezen dat Texel pas op 20 mei 1945 was bevrijd, na hevige gevechten tussen Duitse militairen en opstandige Georgiërs. Alweer zo’n oorlogsepisode die vooral dankzij verhalen over individuele belevenissen oprijst uit het verleden, net als de gebeurtenissen in Rhoon die zo adembenemend werden beschreven in De vergelding van Jan Brokken.
Iemand gaf mij het boekje Sondermeldung Texel van Dick van Reeuwijk, veel dunner dan De vergelding en minder omgebouwd tot pakkend relaas, maar wel erg informatief. Wrede Duitsers, hulpvaardige Duitsers, Duitsgezinde Georgiërs, anti-Duitse Georgiërs, NSB’ers, onderduikers, verzetsstrijders… Allemaal weerden ze zich in april en mei 1945 op dat kleine eiland, waar ook nog `gewone’ Texelaars woonden. Die kwamen natuurlijk volledig in de knel. De slachtoffers vielen aan alle kanten, soms werd er in het wilde weg geëxecuteerd. Het begon allemaal op 5 april 1945, toen de Georgiërs in de nacht honderden Duitsers doodstaken. Daarna werd het een chaos waarin de kansen wisselden, totdat op 20 mei de Canadezen arriveerden.
Er staan schrijnende verhalen in Sondermeldung Texel, bijvoorbeeld over bakker Theo Smit uit Den Burg. Na de capitulatie werd deze hulpvaardige man alsnog doodgeschoten aan zijn eigen keukentafel, per ongeluk, door een bevriende Georgiër die wilde demonstreren dat er geen kogels meer in zijn revolver zaten. De weduwe Smit toont zich groots, als ze op die afschuwelijke gebeurtenis terugkijkt: `Ik heb ook altijd veel medelijden gehad met die Georgische jongen, om met zo’n schuld te moeten leven!’ Na jaren slaagt ze erin weer met hem in contact te treden. Ze schrijft hem een brief waarin ze meldt dat ze hem vergeven heeft. De Georgiër schrijft dankbaar terug, maar een ander gevolg is dat zoon Smit, die inmiddels bij de marine zat, bij de inlichtingendienst moest komen om te worden ondervraagd: waarom had zijn moeder een brief naar Georgië gestuurd? Er was op dat moment immers alweer een nieuwe oorlog begonnen: de koude.


maandag 18 november 2013

Ingedikte Perzen

Op verzoek van het tijdschrift Filter verdiepte ik me de afgelopen tijd in leven en werken van de vertaler J.A. Sandfort (1893-1959). Zijn leven lijkt me uit de verte gezien tamelijk treurig, zijn vertalingen zijn vergeten en vrijwel onvindbaar. Het bekendst is hij gebleven dankzij Peter Altena en Michel Uyen, die in de jaren tachtig zijn archief vonden en uitpluisden, waarna ze zijn correspondentie met Céline hebben gepubliceerd, opgesierd met het enige portret dat ze uit dat archief hadden kunnen opdiepen en dat ook al niet erg vrolijk is.

Ik kende al iets van Sandforts werk omdat hij de Perzische brieven van Montesquieu had vertaald, later door mij weer opnieuw vertaald. Zijn vertaling verscheen in 1939 bij de Wereldbibliotheek. Ik kijk altijd graag nog even in oudere vertalingen om na te gaan hoe bepaalde netelige kwesties door mijn voorganger zijn opgelost. Dat doe ik in het laatste stadium, om beïnvloeding te vermijden. Ik hoefde me in dit geval niet beschroomd te voelen dat ik Sandfort als het ware verdrong: zijn vertaling was al zo lang alleen nog antiquarisch verkrijgbaar, en bovendien had hij een kwart van het origineel weggelaten. Montesquieu kon niet meer protesteren, anders dan Céline toen Sandfort hem vroeg of hij diens Voyage au bout de la nuit met een kwart mocht inkorten. Dat protest van Céline was zo heftig dat de uitgever prompt inbond. In die tijd heerste overigens algemeen de opvatting dat Voyage au bout de la nuit te lang was.
     In Sandforts vertaling van de Lettres persanes is geen enkele brief van en naar het serail terug te vinden. De Nederlandse lezers van toen hadden dus geen weet van de intriges van eunuchen en haremvrouwen, noch van de passie en het geweld waar de roman in uitmondt. Sandfort schreef bij zijn vertaling een uitvoerige inleiding, maar daarin staat niets over de inhoud van de weggeselecteerde brieven, noch over de reden waarom ze waren geschrapt. Overdreven preutsheid? Er gebeurt in dat serail natuurlijk wel het een en ander, al zal een hedendaagse jongeling niets opwindends zien in wat allemaal tamelijk omslachtig wordt gesuggereerd. Uitgeverij de Wereldbibliotheek had zich in de vooroorlogse jaren tot taak gesteld het volk te verheffen, misschien was dat de reden? Het volk diende wijze lessen tot zich te nemen over culturele verschillen. Haremverhalen pasten daar misschien niet zo bij, al vormen ze wel de rode lijn die het boek tot een aangrijpende roman maakt, tot een schreeuw van protest tegen de machteloze positie van de vrouw in het toenmalige Perzië. 
     Mijn bredere verhaal over Sandfort komt nog.

dinsdag 1 oktober 2013

Zuster Trui

Het is een klein boekje: 100 pagina´s, samengedrongen in een formaat van 10 cm breed bij 20 cm hoog. Ik kreeg het cadeau toen ik nog op de lagere school zat. Het overleefde enkele boedelscheidingen en nog meer verhuizingen. Gisteren sloeg ik het na ruim een halve eeuw weer eens open. Flitsen uit Delft´s verleden, verschenen in 1946 en geschreven door A. van Peer, die voor zijn stad een warme belangstelling koestert en veel weet over de Delftse geschiedenis. Hij gebruikt iets te veel adjectieven, maar dat past goed bij de zwartwitfoto´s en bij het bruinbespikkelde papier: `Hier sleet zij haar eenzame dagen en telde de schuifelende uren van de lange nachten.'
               Wie is die `zij'? Dat is Zuster Trui, die zich volgens een niet nader genoemde kerkkroniek omstreeks 1412 liet inmetselen aan de zuidoosthoek van de Nieuwe Kerk. Ze bleef voorgoed in haar kluis en stierf in 1459, zevenenveertig lange jaren later. Van alle verhalen over vroeger die in het boekje worden opgedist, is dit me het beste bijgebleven. Na al die jaren hoef ik het eigenlijk niet opnieuw te lezen, het heeft zich indertijd in mijn kinderziel gegrift. A. van Peer probeert zich in te leven in de situatie van deze kluizenares, maar mijn verbeeldingsvermogen weigert resoluut dienst. Hopelijk had Zuster Trui een hartkwaal en viel ze ineens dood neer. Ik lees ook nog dat na haar dood de kluis werd afgebroken en dat ze op die plek is begraven. Dicht bij het altaar en alweer stilletjes wachtend, ditmaal op het einde der tijden.

zaterdag 6 juli 2013

Langs de rand van het Niets

Ons vertaalatelier heeft het thema `artistieke ambitie in de negentiende eeuw’ bij de kop genomen. Het bracht me vanzelf terug bij Stéphane Mallarmé. Samen met Han Evers vertaalde ik van Mallarmé het fragmentarische en duistere Igitur. Han woonde in Tilburg bij mij om de hoek, hij werkte in de gemeentebibliotheek aan het eind van mijn straat. Dit alles speelde zich af in de papieren prehistorie. Ik bezocht die bibliotheek geregeld om de zesdelige Grand Robert te raadplegen, alle delen uitgespreid op een grote tafel in de leeszaal. Zo kwamen we in contact. Onze vertaling verscheen uiteindelijk in nummer 32 van het tijdschrift Raster.
Ik herlas nu de biografie van Mallarmé door Jean-Luc Steinmetz, verschenen in 1998. Bijna zeshonderd pagina’s over een tamelijk saai bestaan, completer kan een biografie niet zijn, temeer daar aan het werk en aan hoe het te interpreteren niet heel veel aandacht wordt besteed. Hoe zou het na de dood van de dichter zijn gegaan met zijn dochter Geneviève, de vrouw met de open blik? Ik neem aan dat ze bij haar depressieve moeder is gebleven. Laat ik dat nog eens uitzoeken.

Mallarmé wees voortdurend vooruit naar het Grote Werk dat er uiteindelijk nooit is gekomen. De snippers die hij ervan publiceerde waren overigens adembenemend van gecompliceerde schoonheid. Hij werd  geobsedeerd door het Niets en probeerde er in zijn werk langs kronkelige wegen zo dicht mogelijk bij in de buurt te komen. Dat flitsend oplichten van nooit vervulde mogelijkheden, schrijnend van onbereikbaarheid: daarin heeft zijn werk mij het meest getroffen en heeft het mij als vertaalster en als lezend mens het grootste profijt gebracht. Hijzelf was trouwens ook vertaler: van de door hem bewonderde E.A. Poe.

maandag 27 mei 2013

Achterstevoren

Ruim vijftien jaar geleden vertaalde ik het operalibretto van Francis Poulenc. Hij hield zich trouw aan het scenario van Georges Bernanos en beperkte zich tot schrappen en comprimeren. Maar wel en vooral voegde Poulenc er zijn soms bijna onverdraaglijke muziek aan toe. Niet elke dag is geschikt om naar deze opera te luisteren, eerst moet ik me geestelijk voorbereiden op de ellendige afloop, en als tussendoortje is er dan ook nog de vreselijke doodsstrijd van de eerste abdis. Het verhaal is gebaseerd op ware gebeurtenissen: er zijn in juli 1794 zestien karmelietessen uit Compiègne in Parijs onthoofd. Durfden ze wel, die bloeddronken revolutionairen?
Onlangs las ik eindelijk de novelle van Gertrud von Le Fort, de oerversie van scenario en libretto. Elke literaire vorm heeft zijn eigen mogelijkheden en beperkingen. De novelle stelt naar mijn smaak literair niet veel voor. Ik krijg er vooral een andere kijk door op zuster Marie van de Menswording, die in een theologisch hoogstandje het grootste offer brengt door zich aan de opoffering van haar medezusters te onttrekken – en dat bedoel ik niet eens denigrerend of ironisch. In de opera wordt de band met het hiernamaals min of meer doorgesneden en zijn we weer helemaal terug op aarde, onder de mensen. We leven vooral mee met Blanche, die voor het kloosterleven koos in een hang naar veiligheid, maar uiteindelijk vrijwillig het schavot beklimt en daarmee onze eeuwige sympathie verdient.

Gertrud von Le Fort publiceerde haar novelle in 1931. Naar het schijnt zocht ze het vooral bij onderwerpen uit het verleden om indirect te kunnen waarschuwen tegen de woeste nazistische storm die was opgestoken. Wat een geluk dat Poulenc via Bernanos het thema heeft opgepikt en uitgewerkt!  

zondag 7 april 2013

Kom maar binnen!



Zeg ik tegen de 1001 vrouwen die ik na enige aarzeling toch heb gekocht. Ik wilde mijn boekenkast niet meteen na de verhuizing weer overbelasten, maar hoe gaat dat: bezoekers geven je een boek cadeau, een uitgever stuurt een paasgeschenkje, iemand drukt je een boekenbon in de hand, en zo krijg je geleidelijk steeds meer zin om de openbare bibliotheek in te ruilen voor de boekhandel. Er is nog ruimte genoeg, ook voor het passende schilderij waarmee mijn nicht Lida me verraste en waarop ze het niet kon laten een paar voorgoed gesloten exemplaren aan te brengen.  


                De 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis zijn compact ondergebracht in het formaat van een groot uitgevallen kerkboek. Aan dat formaat moest ik even wennen, maar binnenin ontsluiten zich vele eeuwen spannende vrouwengeschiedenis, waar je langdurig doorheen kunt blijven zappen. Echt een boek dat tegemoetkomt aan de moderne voorliefde voor lijstjes en canons. Soms ook leest het als een cultureel verantwoord roddelblad: wie trouwde met wie en hoe lang duurde dat huwelijk? In de tekst zelf staan kleine afbeeldingen in zwart-wit en elke periode wordt afgesloten met grotere, mooi naast elkaar geplaatste kleurenplaten, die eens te meer duidelijk maken dat ons uiterlijk vaak meer een product is van de tijd waarin we leven, dan van ons hoogstpersoonlijke innerlijk. En is dat innerlijk trouwens wel zo hoogst persoonlijk? Na aftrek van de tijdgeest en de genen blijft er volgens mij nog maar een karig restant.

                Op pagina 1003 kwam ik ook nog een negentiende-eeuwse vertaalster tegen: Jacoba van Heijningen, die werd geroemd om haar Dickensvertalingen: `de overzetting is zo uitmuntend, zo vloeiend, zo zuiver van Nederlandse stijl, dat ik mij niet gaarne veroordeeld zou zien om naar vlekken te moeten zoeken.’ Een zichtbare vertaalster dus. Benieuwd of ik er nog meer zal vinden.

    

vrijdag 16 november 2012

Vermeer en Bergotte



Dit gezicht op Delft wordt binnenkort mijn eigen uitzicht, zij het inclusief de veranderingen die er in drieëneenhalve eeuw hebben plaatsgevonden, en niet langer gehuld in de prachtige kleuren van Vermeer. Op dit moment wordt daar in de buurt druk gegraven en gebouwd. Het enige wat er nog hetzelfde uitziet is paradoxaal genoeg het meest veranderd: het water van de Schie. De twee vrouwen in boerendracht kwamen misschien wel uit de Holierhoekse Polder, die aan de oostkant door de Delftsche Schie werd begrensd en waar ongetwijfeld wat voorouders van me hebben gewoond.
Vermeers Gezicht op Delft is voor mij onlosmakelijk verbonden met Proust, die in De gevangene de doodzieke Bergotte naar het museum laat gaan. Daar hangt tijdelijk het Vue de Delft, `uitgeleend door het museum van Den Haag’ voegt Proust er nauwgezet aan toe. De schrijver Bergotte wordt vooral gegrepen door een klein geel muurvlak, ergens rechts op het schilderij. `Zo had ik moeten schrijven. Mijn laatste boeken zijn te schraal, ik had verscheidene lagen kleur moeten aanbrengen, van mijn taal een kostbaarheid op zichzelf moeten maken, zoals dit kleine gele muurvlak,’ peinst hij, in de vertaling van Thérèse Cornips. Bergotte overziet zijn eigen leven en krijgt het gevoel dat het veel minder waard is dan zo’n `petit pan de mur jaune’. Waarna hij dood neervalt.    
De deskundigen twisten nog steeds over de vraag welk `klein geel muurvlak’ Proust bedoelde. Voor mij telt vooral het geheel: de lange lijnen, het zand op de voorgrond, de grauwe schuit, de wolken in donker en licht, het kalme water, de figuurtjes die zich zo halverwege de Gouden Eeuw en aan de rand van Delft volkomen thuis lijken te voelen, de eendrachtige rode daken, de Nieuwe Kerk in het stralende zonlicht…
Het schilderij hangt in het Mauritshuis. Altijd wanneer ik daar de zaal betreed, word ik overweldigd door de betoverende kleuren. Daar op dat schilderij is Vermeer te vinden, zoals Proust te vinden is in de Recherche en veel minder in Illiers-Combray.