zaterdag 6 oktober 2012

Keesje uit het diakoniehuis


De Rijn was buiten zijn oevers getreden, het Walhalla in vlammen opgegaan, iedereen die ertoe deed was dood. Na de grimmige, meeslepende Götterdämmerung in het Wilminktheater in Enschede had ons gezelschap behoefte aan rust. In die stemming togen we de volgende dag naar de statige beeldentuin rondom kasteel Het Nijenhuis, diep verscholen in het Twentse land.
Ik ben altijd gevoelig voor een lijntje met de literatuur. Daarom maakte het Hildebrandmonument van Jan Bronner extra indruk. Dat monument omvat acht figuren uit de Camera Obscura, plus een beeld van de auteur zelf. Ze stonden daar zo mooi bij elkaar tussen netjes geknipte hagen, verstilde burgerlijkheid in het schrale zonlicht. Weer thuis heb ik meteen het boek uit de kast gepakt. Het was een van mijn eerste Prismapockets  en het heeft vele verhuizingen meegemaakt voordat ik het eindelijk weer eens opensloeg.
Om te beginnen herlas ik het verhaal van Keesje het diakenhuismannetje, een oude man die de schoenen van burgers poetst, hun kleren borstelt en zich met hun boodschappen door de stad rept. Nederig, angstig, blij met een cent. In een leren zakje draagt hij al dertig jaar het geld voor zijn begrafenis en voor een eigen doodshemd. Het zakje rust dicht op zijn hart, als een belofte van postume waardigheid. Zijn leven lang moest hij het hebben van krijgertjes, karige fooien, een `krib’ in de diakonie, maar na zijn dood wil hij zo graag een hemd van zichzelf, en twaalf broeders van eigen keuze die hem dragen. Even dreigt het geld hem te worden ontfutseld, maar na overleg tussen allerlei voorname heren van een negentiende-eeuws old boys network komt het gelukkig weer in orde.
Steeds vaker word ik gegrepen door verhalen over ouderdom en dood. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met de levensfase waarin ikzelf verkeer. De negenenzestigjarige Keesje leek overigens in het geheel niet op de energieke grijshoofden die Kasteel Het Nijenhuis tot in alle uithoeken bekeken, vanbuiten en vanbinnen. Waar zouden de musea zijn zonder al die ouderen van tegenwoordig, zo driftig dorstend naar cultuur? 


vrijdag 21 september 2012

De oude man in de pastorie

Bijna 88 is hij nu, Michel Tournier. Ik heb veel van hem vertaald en hem een aantal keren ontmoet, onder andere in Choisel. Daar woont hij nog steeds in de voormalige pastorie. Ook in Choisel, toch helemaal niet ver van Parijs, schijnt het steeds leger te worden.
Ik herlees zijn boeken nog altijd vol bewondering. Die eerste drie grote romans, Vrijdag, De elzenkoning en De meteoren, maar ook wat hij daarna schreef in minder ambitieuze, soms zelfs wat kortademige teksten. Bijvoorbeeld Le bonheur en Allemagne?uit 2004.  Zelfs de `vermeerderde editie’ van dat dunne boekje telt nog geen honderd pagina’s, maar wat een scala van thema’s, alles in de klassieke en tegelijk levendige stijl die me zo vertrouwd is. Het gaat over Pruisen, over Mitterrand, over de betrekkingen van Tournier met Oost-Duitsland, over zijn studentenjaren in Tübingen, over de roman waar het nooit van kwam, over wat er zou zijn gebeurd als keizer Wilhelm II niet al zijn geld in de opbouw van een Duitse vloot had gestoken.
In zijn hang naar bondigheid strooit hij ook steeds meer beknopte wijsheden door zijn teksten, zoals:

Ieder volk gaat prat op de deugd waarvan het in feite het meest is verstoken.

Terugkeren naar het oord van je kinderjaren is een vreselijke beproeving die je beter kunt vermijden.

Bij die laatste uitspraak bleef ik even haken. Zou dat echt waar zijn? Binnenkort verhuis ik naar de stad van mijn jeugd. We zullen zien. 

dinsdag 11 september 2012

De martelshow


Het was Open Monumentendag, en ik bezocht het oude raadhuis in Delft, de stad waar ik ben geboren en getogen. We mochten doordringen tot in het oudste deel, tot in de kleine gevangenis waar ook Balthasar Gerards een paar dagen heeft doorgebracht. De gids hield een plastisch verhaal over de vele manieren waarop je daar kon worden gefolterd. Het enige kind in ons gezelschap van oudere cultuurconsumenten trok wit weg en kroop steeds dichter tegen zijn oma aan.

Op de lagere school werd ons verteld over Willem van Oranje, neergeschoten door de snode Balthasar Gerards. Er was een omweg voor nodig om me te realiseren dat er eigenlijk twee slachtoffers waren: de Vader des Vaderlands zelf, nadien neergevlijd in een praalgraf in de Nieuwe Kerk, en ook Balthasar Gerards, wiens gefolterde lichaam, met allerlei instrumenten bewerkt en uiteindelijk uit elkaar gerukt, door de vogels is opgevreten. De omweg was Discipline, toezicht en straf van Michel Foucault, vertaald door Vertalerscollectief HUG. Foucault verstaat de kunst om zijn hoogst abstracte uiteenzettingen te larderen met pakkende anekdotes. Hij citeert op pagina 78 uit de kronieken van Brantôme († 1614).  Het is inderdaad een pakkend verhaal, maar het is niet juist. Volgens Brantôme zou Gerards achttien dagen lang zijn gefolterd. Gelukkig voor hem heeft het korter geduurd: 10 juli was de aanslag 1584, op 14 juli stierf Gerards aan het eind van een langdurig martelritueel (hand afgeknepen met een gloeiende tang, hart in het gezicht gegooid) op de Markt van Delft, tussen de Nieuwe Kerk en het stadhuis. Hij was een vrome katholiek, oprecht van oordeel dat hij iets goeds had gedaan door de afvallige Willem te doden. Hij was 27 jaar oud. 
            Philips II had een beloning in het vooruitzicht gesteld voor wie Willem van Oranje zou vermoorden, of anders voor de nabestaanden van de moordenaar. Uiteindelijk was Philips niet bereid het geld te geven. Ook de beloofde adellijke titel heeft  nooit iemand van de nabestaanden in ontvangst mogen nemen.
(Op de foto: het stikhok, een nog kleinere ruimte in de kleine ruimte die in het stadhuis van Delft als gevangenis diende. Balthasar zelf is buiten dat hok gebleven, anders zou hij al na twee dagen bij gebrek aan lucht zijn gestorven.)

donderdag 6 september 2012

Dringen in Descartes


Toevallig treden mijn auteurs achter elkaar op in het Maison Descartes, dat die naam tegenwoordig alleen nog als ondertitel voert en geleidelijk opschuift naar Institut Français. Op 26 november komt Michel Serres voor de presentatie van Muziek, een literair getint essay van een unieke filosoof met een stijl van schrijven die het uiterste vroeg van mijn interpretatievermogen. Twee avonden daarna, op 28 november, wordt Alexis Jenni geïnterviewd ter gelegenheid van de presentatie van In tijden van oorlog, de dikke roman vol krijgsgeweld die ik samen met Henriëtte Gorthuis vertaalde. Ik heb beide auteurs nooit ontmoet, maar ik meen ze toch al een beetje te kennen. Ze zijn vriendelijk en hulpvaardig. Per mail geven ze geduldig antwoord op al mijn vragen. Ze betuigen hun medeleven als ze dubbele bodems in hun tekst hebben gelegd of een woord van een drievoudige betekenis hebben voorzien. De oude Serres blijkt aan de telefoon een verrassend krachtige stem te hebben, Jenni is niet te beroerd om toe te geven dat hij soms misschien iets beter had kunnen formuleren. Ik zie uit naar de ontmoetingen.
Het contact met de auteur verhoogt niet alleen de kwaliteit van de vertaling, maar ook de arbeidsvreugde. Wat zou ik graag Descartes, Montesquieu of Voltaire hebben leren kennen, maar dat kan niet meer. Door levende auteurs werd ik zelden afgescheept, meestal ruimden ze veel tijd voor me in. Je hebt altijd iets om met elkaar over te praten: waar verwijst les precies naar terug, is een bepaald woord figuurlijk of letterlijk gebruikt, enzovoorts. De vertaler dringt diep in een tekst door, dat creëert een speciale band met de auteur, vertrouwelijker dan tussen auteur en journalist. Het meeste leerde ik van de verhalen om de exacte antwoorden heen, van de gesprekken over literatuur in het algemeen, van het decor waarin een auteur werkt en leeft. Vertaler Hans van Pinxteren schrijft over dat laatste boeiend en herkenbaar in zijn essaybundel De hond van Rabelais.

vrijdag 24 augustus 2012

Herinnering aan Looren


In het begin van deze zomer woonde en werkte ik een maand in het Zwitserse vertalershuis. Het ligt daar prachtig in het groen, met uitzicht op bergen die goed kunnen worden bewandeld. Van de Zwitsers-Duitse auteurs had ik al wel het een en ander gelezen, de Zwitsers-Franse literatuur was me tot dan toe vrijwel onbekend. Ik was vertrouwd met de gedichten van Jaccottet en daar hield het ongeveer mee op. Maar in Vertalershuis Looren lokte de bibliotheek. Je kon er rustig blijven zitten en keek je even op uit je boek, dan waren daar altijd weer tot ver in de omtrek die prachtige bergen. Ze lagen er onberispelijk en onwrikbaar bij, heel anders dan in een van de romans die ik daar in handen nam: Derborence van C.F. Ramuz.
Ramuz schreef het in 1934.  Een berg stort in, herders en schapen raken bedolven, één van die herders weet zich na zeven weken een weg naar boven te banen. Zeven duistere weken, waarin hij steeds weer probeert een andere uitweg te vinden uit de hut waarin hij zit opgesloten.  De dorpelingen denken aanvankelijk dat hij een schim is, een rondspokende dode. Ze vluchten van hem weg, maar uiteindelijk komt het allemaal weer in orde dankzij zijn zwangere vrouw.
         Het is een aardig boek, dat me werd aangeraden omdat Ramuz de Zwitserse pendant zou zijn van Jean Giono, mijn lievelingsauteur. Maar ik zie niet veel overeenkomsten, hoogstens het decor: een vijandige natuur met daarin eenvoudige dorpelingen. Giono schrijft gelaagder en grilliger. Het is Giono´s zelfgekozen noodlot dat hij vaak wordt weggezet als een auteur van simpele streekromans, maar wie hem gaat lezen moet die mening al snel herzien. Bij Ramuz wordt alles benoemd en blijven de personages vlak, terwijl Giono metafysische afgronden en vergezichten naar de toekomst opent, werkt met suggesties en hiaten.
De organisatie Pro Helvetia stuurde me intussen als afscheidscadeautje nog een ander boek van Ramuz, dat ook al zo makkelijk wegleest. Een boek voor een zomermiddag in de tuin. Verder wat werk van een paar jongere auteurs: Jean-Marc Lovay, Noëlle Revaz… Ik ben benieuwd!      

maandag 23 juli 2012

Nuttige idioten


Komrij is dood. Hij schreef en bloemleesde zo’n breed oeuvre bij elkaar dat iedereen er wel iets in vindt wat hem of haar aanspreekt. Ik keek nog eens rond in mijn boekenkast. Zijn gedichten hebben me nooit erg diep getroffen, zijn kritieken vond ik vooral in het begin regelrecht gemeen. Ik las nog vlug De Pagode, klein maar dapper. Ik verdiepte me uiteindelijk opnieuw in De muze in het kolenhok. Dat dunne boekje vergezelt en inspireert me al jaren. Het gaat over mijn vak en ik heb misschien wel iets van een vakidioot. Een nuttige idioot mogen we hopen, om de term van Komrij over te nemen.
Hij bespreekt drie verschillende vertalingen van een gedicht van Hölderlin, `Hälfte des Lebens’. Zijdelings betrekt hij er ook nog twee andere vertalingen bij. Die vijf vertalingen moeten toch in combinatie en als springplank nog iets beters kunnen opleveren, misschien wel tot de ideale vertaling kunnen leiden, redeneert hij aanvankelijk. De muze van de poëzie wordt tijdelijk in een kolenhok gestopt, want de benadering is gedetailleerd en technisch, onpoëtisch. Saai wordt het overigens geen moment. Komrij zou een goede leraar zijn geweest. Hij doorspekt zijn analytische beschouwingen met grappen en ook zijn leerlingen, i.c. de lezers van de NRC, mogen hun zegje doen. Hij had in de krant gevraagd om commentaar op de drie vertalingen en tot zijn schrik 225 reacties ontvangen, waaruit hij uitvoerig citeert. De lezers reageren bevlogen, humoristisch en soms heel tegengesteld: waar de een enthousiast over is, maakt de ander bijna misselijk.
Interpunctie, klanken, woordassociaties, alles komt aan bod. De auteur zet dapper door tot de laatste regel en het blijft leuk. Hij gaat niet afraffelen, integendeel, hij graaft steeds dieper. Ik zou graag een workshop van hem hebben gehad. Wat zouden we veel hebben geleerd en vaak hebben gelachen, soms een beetje beschaamd omdat hij ons niet zou hebben gespaard, maar zijn kritiek zou waarschijnlijk nooit venijnig zijn geworden. In dit boekje uit hij zich althans tamelijk mild.
Aan het slot komt er een verrassende wending. Met veel wikken en wikken, steeds de opvattingen van de NRC-lezers erbij betrekkend, meent hij van elke regel de beste vertaling te hebben gevonden. Hij zet de regels onder elkaar, om vervolgens te concluderen: die verzameling ideale regels is niet de ideale vertaling, het is een ideaal lijk. Van de weeromstuit gaat de auteur na al dat gewroet in de taal helemaal los:
Ik ijl naar het kolenhok, om de muze te bevrijden. Een ideale vertaling, laat me niet lachen. Trots, dat is wel het allerlaatste. Ik maak haar boeien los, haal de prop uit haar mond, veeg haastig wat zwart gruis van haar voorhoofd en geef haar de levenskus. Goddank, ze ademt. Ze leeft. Ze probeert iets te zeggen. Het klinkt heel zwak en fluisterend, maar het dreunt in mijn oor. `Ellendeling.’
Zijn advies aan poëzievertalers:wees onbetrouwbaar, wees brutaal. Ga niet knutselen, maar maak een nieuw gedicht. Vertalers zijn nuttige idioten, schrijft hij dan ook nog, enigszins gechargeerd. Ze brengen het origineel hoogstens iets dichterbij.
Komrij vertaalde zelf ook, o.a. gedichten van Ingrid Jonker uit het Zuid-Afrikaans, verschenen in een mooie tweetalige uitgave: Ik herhaal je. In de necrologieën is die vertaalkant van hem bij mijn weten nogal verwaarloosd. Maar hij schreef en bloemleesde ook zo veel. Dankzij De muze in het kolenhok, verschenen in 1983 en allicht nog antiquarisch verkrijgbaar, blijft hij voor mij dichtbij.

vrijdag 8 juni 2012

Een middag met Sartre

Gisteren was het zover en werd Reflecties op het Joodse vraagstuk gepresenteerd, met veel dank aan Uitgeverij Boom en aan Mozes Staszewski. Rabbijn Raphaël Evers sprak over de joden als `de helden van de twintigste eeuw'. Professor Rudi Visker weidde wat breder uit over het denken van Sartre. Hedy d'Ancona nam het eerste exemplaar van de vertaling in ontvangst en sprak een ontroerend dankwoord, over haar tijd op de middelbare school, waarin nooit aan iemand werd gevraagd: waar zat jij in de oorlog? Er werd gezwegen. Toen ging ze studeren, ze las het boek van Sartre en ervoer dat als een bevrijding. Hij had voor haar de goede woorden gevonden. 
De vertaalster mocht ook iets zeggen. De tekst volgt hieronder:


Zware taal

Jean-Paul Sartre. Hij was het idool van mijn jonge jaren, in combinatie met zijn levensgezellin Simone de Beauvoir. Het leek me prachtig, zo’n leven van diep denken, van vernuftig debatteren met geestverwanten, ingewikkelde filosofische teksten componeren en tussendoor een spannende roman voor hen die de filosofie niet snapten, wonen in een hotel in Parijs, schrijven in cafés, ’s nachts whisky drinken in rokerige kelders vol jazzmuziek, de vrije liefde bedrijven en over dat alles dan weer opnieuw schrijven… Kortom, toen ik eenmaal mijn gymnasiumdiploma had, besloot ik Frans te gaan studeren. Weliswaar in Leiden, waar het heel wat rustiger was dan in Parijs, maar de sfeer van het existentialisme zou ik ongetwijfeld samen met mijn medestudenten wel weten te creëren en ik zou die sfeer meebeleven via de literatuur.
Dat laatste bleek echter een beetje tegen te vallen. Indertijd werden aan de Leidse universiteit de existentialisten niet literair genoeg geacht, dus er werd geen aandacht aan besteed. Gelukkig werd ik snel afgeleid door de schoonheid van Racine, Stendhal, Proust. Keus genoeg, maar het verlangen naar Sartre bleef. Na een aantal jaren moest ik een bijvak kiezen, en dat werd dan ook filosofie. Echter, op het Filosofisch Instituut vielen tot mijn naïeve verbazing de existentialisten ook al buiten beeld. Eind jaren zestig was daar vooral aandacht voor taalanalyse en logica. De blik was gericht op de Angelsaksische filosofie. De existentialisten golden als te zweverig, ze werden samen met een heleboel andere filosofen beschouwd als: te literair. Dus ik moest me geheel alleen in `Les Mots’ en in `Le deuxième sexe’ blijven verdiepen.
            Na deze kleine teleurstelling die het begin van mijn studieuze leven markeerde, ben ik extra dankbaar dat ik na vele jaren toch nog iets van Sartre heb mogen vertalen. Vertalen is een heel intieme omgang met de tekst, met het denken van een auteur dat zin voor zin, woord voor woord moet worden geïnterpreteerd, en waar je als vertaalster nieuwe woorden aan mag geven.
            Met sommige woorden had ik wel wat moeite. Dat was `zware taal’, het motto dat ik aan deze inleiding heb meegegeven.